woensdag 5 mei 2021

De vloek van Hitlers huizen

Elsevier, 22 december 2001

HET UITZICHT VAN HET KWAAD ALS GELDMACHINE

Op het snijvlak van wat hij zag als de twee Duitse naties die moesten worden herenigd, werd op 20 april 1889 Adolf Hitler geboren. Hoe gedenkt de ‘schuldige’ grensstreek zijn Derde Rijk? Over moeizaam zelfonderzoek in Passau, politiek correct herinneren in Braunau en nieuwe zakelijkheid in Berchtesgaden.

ABE DE VRIES in Passau, Braunau en Berchtesgaden

Het monument staat aan de drukke B12 ten zuiden van het Beierse dorp Pocking, bij Passau. Het tussen bomen verstopte terreintje, een meter in de kale akker verzonken, lijkt vanaf de weg niets bijzonders, maar dan meldt een bordje met een pijl: KZ Gedenkstätte.

Een smal landweggetje voert naar de concentratiekamp-herdenkingsplaats. In de obelisk staat gebeiteld wie hier worden herdacht: 'De slachtoffers van de gewelddadige nationaal-socialistische heerschappij 1933-1945'. Een bescheiden gedenkteken, meteen na de Tweede Wereldoorlog opgericht op bevel van de Amerikaanse bezetter. In zes betonnen plakkaten aan weerszijden waren de namen uitgehouwen van de doden die hier lagen begraven: meer dan negentig Russische, Poolse en joodse slachtoffers van een lokaal arbeidscommando. Als Anna Rosmus niet had ingegrepen, zou niemand nu nog weten wie zij waren. Eind jaren vijftig werden hun stoffelijke resten herbegraven op de erebegraafplaats van het concentratiekamp Flossenbürg bij de Tsjechische grens, en werden de inscripties verwijderd. Rosmus schreef de namen in 199 5 als protestactie met houtskool eigenhandig weer op de tableaus. Twee jaar later herstelde Beieren de fout door bij de ingang een nieuw plakkaat te plaatsen waarop de doden worden genoemd.

Zo was de cadans van de verwerking van het nazi-verleden in Duitsland. Verdringen, bewustworden, protesteren, gedenken. Actueel is het Derde Rijk nog steeds: in Berlijn is in oktober begonnen met de bouw van het grootste holocaust-monument ter wereld. Maar worden Duitsers en Oostenrijkers de Vergangenheit niet moe? Hoe gedenkt de geboortestreek van de douanierszoon Adolf Hitler, het oostelijke grensgebied van Duitsland en Oostenrijk, het oorlogsverleden? Hier liggen 'bruine steden' als het Oostenrijkse Braunau, waar Hitlers wieg stond, en het Zuid-Beierse Passau, waar hij als peuter korte tijd woonde. Bij het Duitse skidorp Berchtesgaden, op de idyllische Obersalzberg niet ver van Braunau, had de Führer zijn vakantiehuis en in de oorlog zijn reservehoofdkwartier. Hitlers geboortestreek, zo heet het, is 'het schuldige land' dat meer dan vijf decennia na dato nog steeds niets zou willen weten van het eigen, foute verleden.

VERSTRENGELING

Het is het levenswerk van de schrijfster Anna Rosmus (1960), de 'schrik van Passau', om het beeld van het schuldige land te voeden. Boek na boek klaagt de twee jaar geleden naar Washington uitgeweken Passause haar stadgenoten aan. Ze dook de archieven in – naar eigen zeggen systematisch tegengewerkt door het stadsbestuur - en beschreef als eerste de groei van Hitlers NSDAP in Passau, de terreur tegen de kleine joodse minderheid die eind jaren twintig al begon te vertrekken, de nazi-werkkampen in de stad, de gedwongen abortussen bij gevangen vrouwen, en de executies in de bossen van Russische krijgsgevangenen in de laatste oorlogsdagen. Ze kreeg prijzen voor haar werk van de joodse gemeenschappen in de Verenigde Staten en Duitsland, onder meer de Holocaust Memorial Award en de Galinski Preis. Rosmus wijst in interviews steeds op de 'ongewoon lange en intensieve verstrengeling van Passau met het nationaal-socialisme'. De stad heeft 'eenvoudig een extreem hoge dichtheid aan wrede achtergronden' en is volgens haar in het 'afwijzen van anderen veel agressiever dan andere Duitse plaatsen'.

Aan twee feiten kon Passau in elk geval niets doen. De SS'er Adolf Eichmann, de bureaucratische organisator van de Endlösung, de industriële moord op miljoenen joden, is er getrouwd. En Hitler woonde als driejarige kleuter in het pand Kapuzinerstrasse nummer vijf, aan de zuidoever van de Inn. Een paar honderd meter verder mondt de rivier uit in de Donau. Nieuwsgierigen die bij de plaatselijke VVV of het stadhuis naar de woning vragen, werden nog niet zo lang geleden steevast afgescheept met de smoes dat niemand de plek meer weet te vinden. Deze keer niet. Keurig geeft een medewerkster van de gemeentelijke cultuurdienst het adres.

Het rood geverfde pand met een hoektorentje, twee verdiepingen en een geïmproviseerde garage in de tuin, ligt wat achteraf bij de bewaakte parkeerplaats van de Innstadt Brauerei. Aan de overkant van de straat een bord met reclameposters. Eentje springt eruit: 'Rechts-extremisten niet gewenst!', een boodschap van de burgers van Passau. De bekende sporen van het nazi-toerisme - neergekalkte hakenkruizen - zijn niet te vinden.

Achter het huis loopt een enkelspoor en stroomt de rivier. In het groen op de basaltblokken speelde Hitler vaak cowboytje en indiaantje. Bijna was zijn leven hier geëindigd. Als een buurjongetje op zekere dag niet had ingegrepen toen Adolfje, die niet kon zwemmen, in het vuur van het spel te water raakte, was de Führer-in-de-dop wellicht geëindigd als een van de tientallen aangespoelde lijken op het Kerkhof der Namelozen aan de oostrand van Wenen. Zijn redder, Johann Kühberger, werd later priester, organist van de kathedraal en in 1939 pauselijk thesaurier in Passau.

NOEDELVARIANTEN

De Passause binnenstad is Beiers degelijk, schoon en kleurig. De oude bisschopsstad van vijftigduizend inwoners moet het tegenwoordig vooral hebben van het riviertoerisme op Donau en Inn.Talloze Gasthöfe bieden eikenhouten huiselijkheid en noedelvarianten. De boekwinkels hebben het werk van Anna Rosmus niet op de plank liggen. Boekhandel Rupprecht in de Ludwigstrasse, twee verdiepingen: geen titel. Boekhandel Am Paulusbogen aan de Rindermarkt: niets. Boekhandel Pustet bij de Nibelungenhal, gebouwd als werkgelegenheidsproject in de jaren dertig en bekend van de jaarlijkse manifestaties van neonazi-partijen: idem. Rosmus is uitverkocht, zo heet het steeds, en het is alweer twee jaar geleden dat haar laatste boek verscheen. Wel zijn allerhande biografieën van Hitler te koop, studies over de holocaust, over het Duitse verzet tegen de nazi's. En dure fotoboeken over het Passause stads- en natuurschoon.

Verdringt Passau het verleden nog steeds? Volgens Max Brunner, al vijftien jaar directeur van de cultuurdienst, was Passau 'een doorsneestad in het Derde Rijk' en is het 'bruine beeld' dat Anna Rosmus schetst niet op feiten gebaseerd. 'We doen alles om die periode te laten onderzoeken door competente, wetenschappelijk opgeleide historici,' zegt Brunner in het stadhuis aan de Donau. 'Rosmus is dat eenvoudigweg niet. Zij ziet zichzelf eerder als journalist.'

Begin jaren negentig haalde Brunner de Anne Frank-tentoonstelling naar de stad. 'Een groot succes, enorm door de bevolking bezocht en geaccepteerd.' Op een van de mooiste lokaties in het centrum, de boulevard langs de Inn-oever, verrees een metershoge sculptuur van ijzer ter herinnering aan de slachtoffers van de nazi's. Naar Amerika geëmigreerd medeburgers van joodse komaf werden uitgenodigd voor een bezoek aan Passau. Israëlische schrijvers gaven lezingen aan scholen. 'We hebben niet geprobeerd de zaak met één alibi-actie af te doen,' zegt Brunner. 'We willen doorlopend jonge mensen aan het denken zetten over dat deel van de Duitse geschiedenis.' Wel geeft hij toe dat de meeste initiatieven pas werden genomen nadat Rosmus de eerste steen had geworpen. 'Zij heeft fouten gemaakt, ja, maar veel van wat ze schreef, was juist. Tot zij vragen begon te stellen, deden veel mensen alsof er nooit iets was gebeurd.'

De historicus Stefan Rammer, onderzoeksjournalist bij de uitgeverij Neue Passauer Presse, bestudeerde onder meer de verkiezingsuitslagen in de jaren dertig. Volgens hem blijkt daaruit niet dat Passau 'bruiner' was dan andere Duitse steden. In juli 1932 stemde bij de Rijksdagverkiezingen 31,6 procent van de Passause kiezers op Hitler, beduidend onder het Duitse gemiddelde van 37,3 procent. Rammer: 'Passau was een bisschopsstad. De katholieke kerk was in het begin resistent tegen de nazi-ideologie omdat die pretendeerde een vervangende religie te zijn.' Het stadsarchief beschikt over liefdesbrieven van Passause vrouwen aan hun Führer. 'Maar die zijn in elke Duitse stad te vinden.'

Rammer ziet het werk van Rosmus als een voorbeeld van de toenemende 'onserieusheid' waarmee het Derde Rijk in Duitsland zou worden bejegend. 'Zij was net van de middelbare school toen ze begon te spitten. Wat ze schrijft, steunt vaak slechts op een paar bronnen en is volledig onbetrouwbaar. Zo beweert ze dat hier in de omgeving tweeduizend Russische krijgsgevangen zijn doodgeschoten. In werkelijkheid waren het er 146. Passau heeft steeds weer geprobeerd met Rosmus samen te werken. Van een verklaarde vijandschap is geen sprake. Wel van irritatie. De stad voelde zich te snel aangevallen. Passau was slecht voorbereid, en Rosmus ook.'

CULTFIGUUR

Wie weet wordt Hitler de komende tien jaar een cultfiguur, zegt Rammer. 'Nu heeft iemand weer ontdekt dat hij homo was. Is dat interessant? Het weekblad Der Spiegel adverteerde dit jaar voor een twintigdelige serie artikelen over de erfenis van het Derde Rijk met zijn portret op reclameposters. Beelden uit die tijd worden geësthetiseerd. Neem de kleurenversie die is opgedoken van het bekende filmpje van Hitler met zijn minnares Eva Braun op de Berghof. Het lijkt een Heimatfilm.'

Rammer noemt ook de jongste roman van Harry Mulisch, Siegfried, over een fictieve zoon van de Führer. 'Tien jaar geleden had hij dat niet zo kunnen schrijven,' zegt Rammer. 'Het is allemaal onthistorisering. Taboes verdwijnen. Er is een zorgelozer omgang met dit verleden dan vroeger.'

De B12 voert van Passau naar Braunau door het golvende dal van de Inn: een rit van een uur. In het Duitse Simbach slingert de straat neerwaarts naar de rivier. Een hoge betonnen brug, de grens, leidt naar het kleine centrum van Hitlers inmiddels achttienduizend inwoners tellende geboorteplaats. Zo zou de Führer het hebben gewild. Geen slagbomen, en van de douane geen spoor te bekennen. In Mein Kampf bedacht hij hoe treffend het was dat hij in Braunau was geboren: direct aan de grens met het grote Duitsland, op het snijvlak van de twee 'Duitse naties' die moesten worden herenigd.

Na Braunau en Passau verhuisden de Hitlers naar de omgeving van het nabije Linz, waar nog steeds verre verwanten wonen. Ze hebben hun achternaam veranderd. In de jaren dertig werd dit landsdeel, Opper-Oostenrijk, de 'thuisgouw van de Führer' genoemd, een imago dat het landsdeel nog altijd aankleeft. Braunau werd na de Anschluss van 1938 in opdracht van de nazi-propagandamachine door talloze schilders vereeuwigd. De stad verscheen op postzegels, poststempels en in fotoboeken over Hitler. De provincie herbergde de concentratiekampen Mauthausen en Gusen. Het kasteel Hartheim, aan de Donau tussen Linz en Passau, had een gaskamer (Euthanasieanstalt) voor joden en gehandicapten.

BLOK GRANIET

Toch had Hitler weinig op met zijn geboorteplaats. Toen hij in 1938 zijn stedenbouwkundige plannen ontvouwde, bleek voor Linz gigantische nieuwbouw te zijn voorzien, terwijl zijn 'liefgeworden grensstadje' Braunau werd afgescheept met een theatertje en een ziekenhuis. Beide plannen werden overigens nooit gerealiseerd. Anno 2001 lijkt de Stadtplatz, de centrale winkelstraat met z'n rustieke pastelbarokpanden, nog steeds op een dorpsplein rond etenstijd. Achter de poort aan de zuidzijde, de Salzburger Tor, begint de Salzburger Vorstadt, de straat met Hitlers geboortehuis. Nummer vijftien is een slecht onderhouden, zestiende-eeuws pand waarvan de gele verf afbladdert en de kozijnen hun langste tijd hebben gehad. Hitlers rechterhand Martin Bormann maakte in 1939 van het huis een galerie ter ere van de Führer. Later was het een bank, een school en een bibliotheek. De huidige huurder is de Oostenrijkse Lebenshilfe, een zorgstichting die er een werkplaats heeft voor een veertigtal geestelijk en lichamelijk gehandicapten.

Alleen het blok bruin graniet op het trottoir geeft aan dat dit een bijzonder huis is. 'Voor vrede, vrijheid en democratie,' luidt het opschrift. 'Nooit meer fascisme. Miljoenen doden waarschuwen.' De klomp komt uit de steengroeve van Mauthausen, waar Nederlandse joden op 31 mei 1943 zelfmoord pleegden door tijdens het stenen sjouwen van een vijftig meter hoge rand te springen. De plek werd bekend als de Judensprung.

Hitler is voor Braunau een 'ongewenste erfenis'. Zo luidde de naam van de eerste geschiedenisdagen die de plaatselijke historische vereniging sinds 1992 jaarlijks houdt. Dus hoe van de nood een deugd te maken? Toen de medelidstaten van de Europese Unie, verontrust over de regeringsdeelname van de rechtsradicale FPÖ van Jörg Haider, vorig jaar sancties tegen Oostenrijk instelden, kwam de hoofdredacteur van de plaatselijke krant op het idee om een antifascistisch centrum in het Hitlerhuis te vestigen.

'Het feit dat Hitler hier is geboren, betekent voor ons een bijzondere verplichting en verantwoordelijkeid,' zegt burgemeester Gerhard Skiba. Graag maakt hij tijd om het geplande 'Huis der Verantwoording' toe te lichten. 'De verhoogde aandacht van de buitenwereld voor Braunau is voor ons een kans om vredesideeën de wereld in te krijgen. En de sancties gaven aanleiding om een daad ten gunste van Oostenrijk te stellen.'

In de eerste opzet bevat het Huis naast een documentatiecentrum over de nazitijd, een derdewereldgroep en een studiecentrum voor vredesvraagstukken, ook een 'Vredesdienst'.

Over het concept wordt nog gediscussieerd. Het pand is nog niet beschikbaar. Eerst moet het worden gerestaureerd en moet de Lebenshilfe een ander onderkomen vinden. 'Het zal nog drie tot vijfjaar duren,' denkt de burgemeester. Het Huis is al wel op internet te bezoeken (www.hrb.at).

Het initiatief 'heeft inderdaad iets politiek-corrects', zegt Horian Kotanko, historicus en voorzitter van de geschiedenisvereniging, maar dat vindt hij niet erg. Het beeld dat Braunau een 'bruine stad' is, zit hem dwars. Het verkiezingssucces van de FPÖ in Braunau, waar de partij de op een na grootste is – partijleider Susanne Riess-Passer is hier geboren -, is in de linkse Weense kranten onterecht breed uitgemeten, zegt Kotanko. 'En dan wordt de geschiedenis er weer bij gesleept. Maar vóór 1938 was Braunau geen bolwerk van de nazi's. Bij de regionale verkiezingenvan 1931 scoorden ze 7 procent, tegen 30 procent in Innsbrück. Een voorstel om Hitler tot ereburger van de stad te benoemen, werd in 1933 afgewezen.'

AFGELOPEN

Is het niet allemaal te veel? Een Huis in Braunau, een KZ-museum in het slot Hartheim, een joods museum en een reusachtig holocaust-monument in Berlijn, avond na avond – nog steeds - het Derde Rijk op televisie? Onlangs werd in Oostenrijk gedebatteerd over uitspraken van de filosoof Rudolf Burger, die vindt dat het Grote Gedenken nu maar eens afgelopen moet zijn. Kotanko: 'Ik denk dat de meeste mensen het met hem eens zijn. Ik vind niet dat we moeten vergeten. Aan de andere kant: Hitler was niet het einde van de geschiedenis. Er is ook zoiets als overcorrect gedrag. Een overdrijving van emoties. Soms ontbreekt de afstand. We hebben minder emotie nodig.'

Voor minder emotie is Berchtesgaden de juiste plek. Hier wordt, midden in het voormalige Führersperrgebiet op de Obersalzberg, boven op de fundamenten van de vakantiehuizen en de zwembaden van Martin Bormann en Hermann Göring, een viersterren Intercontinental-hotel van 150 miljoen gulden (68 miljoen euro) gebouwd. Mét tennisbanen en een golfterrein.

Het ‘uitzicht van het kwaad’ als geldmachine. Vanaf het zitje dat Göring in z’ n achtertuin had, kon hij genieten van de Duitse Alpen in het noorden, met als huiveringwekkend hoogtepunt de kale, gekartelde haaientandtoppen van de Untersberg op 1972 meter hoogte. Een Heidi-landschap van bossen, bergweiden en boerderijen, tientallen kilometers ver. Hitlers Berghof lag enkele tientallen meters lager. Hij liet zich er toejuichen door scharen Duitse jongens en meisjes ('Wij willen onze Führer zien!'), poseerde er als mensen- en dierenvriend voor de camera van rijksfotograaf Heinrich Hoffmann, ontving er in 1938 de Britse premier Neville Chamberlain en plande er de invallen in Tsjecho-Slowakije, Polen en Rusland. De plek is nu gemengd bos.

HITLERBUS

Deze alpenvesting, een term van propagandaminister Joseph Goebbels, werd op 25 april 1945 door 318 Britse Lancasters gebombardeerd. Bijna alle ruïnes zijn inmiddels gesloopt. Eerst door de Amerikanen, die hier een vakantiecentrum voor hun leger in Duitsland hadden, en toen door de deelstaat Beieren, die de berg in 1996 weer in eigendom kreeg. Bij de parkeerplaats voor de bus naar Hitlers Adelaarsnest - het theehuis boven op de berg dat gespaard bleef - staan nog de bulldozers die pas onlangs de voormalige SS-kazerne met de grond gelijk maakten.

Het oude SS-café Hintereck doet goede zaken, net als twee winkeltjes met Beierse snuisterijen en boeken met 'zeldzame foto's en documenten' over de berg. Het Adelaarsnest is de rijkste goudmijn van het skioord Berchtesgaden, zolang er geen sneeuw ligt. Bussen met een meterslange panoramafoto van het uitzicht en een manshoge adelaar als opdruk rijden af en aan. 'De Hitlerbus,' zegt een Amerikaanse toerist.

Jaarlijks komen tienduizenden Duitsers en buitenlanders op bezoek, al loopt het toerisme wel terug. 'Dat komt doordat vliegvakanties zo goedkoop zijn geworden,' volgens een medewerkster van de plaatselijke VVV. 'We hopen dat het nieuwe hotel weer een impuls geeft.' Van nazi-toerisme heeft Berchtesgaden niet veel last meer, behalve op Hitlers verjaardag, als neonazi's hun idool ter plekke willen eren. De politie let op en de dagen dat je hier 'echte haren van Hitler' kon kopen, zijn voorbij.

Michel Friedman, vicepresident van de Centrale Raad van Joden in Duitsland, heeft gezegd dat de bouw van het hotel 'de historische realiteit van de Obersalzberg versluiert'. Abe Fosman van de Amerikaanse Anti-Defamation League noemde het plan 'ziek' en het Simon Wiesenthal Centrum vond het ‘schandalig'. Om de critici tot bedaren te brengen, heeft Beieren een klein documentatiecentrum over het Derde Rijk gebouwd, ingericht door het Instituut voor Moderne Geschiedenis in München. Maar de beperkte tentoonstelling- foto's van opgehangen joden, beeld- en geluidsmateriaal en plakkaten met tekst en uitleg over de nazi-machinerie - kan niet de indruk wegnemen die de Obersalzberg bij een bezoek achterlaat: Berchtesgaden is overgegaan tot de orde van de dag.

Het holocaust-monument dat in hartje Berlijn zal verrijzen, is eerder de afsluiting dan de toekomst van het herinneren. Nu alle maatschappelijke taboes in Duitsland en West-Europa die samenhangen met de nazitijd, langzaam eroderen en verdwijnen - immigratie is een open kwestie geworden, euthanasie is bespreekbaar - begint ook het gedenken te verzakelijken.

Op Görings speelweide is met geel en blauw gekleurde zuilen al aangegeven wat waar moet komen. Innenhof, Halle, Restaurant. Straks kijken kapitaalkrachtige toeristen hier uit hun raam, zich vergapend aan het uitzicht van het kwaad, ruikend aan een mooie wijn.





dinsdag 4 mei 2021

Worstelen met Allah

 


Elsevier, 28 oktober 2000

DE BOSNISCHE ISLAM HEEFT EEN DUBBEL GEZICHT: TOLERANTIE VOOR HET WESTEN, FANATIEKE GELOOFSIJVER VOOR HET OOSTEN

In Sarajevo is Gucci interessanter dan de koran, zeker sinds de ‘opstand van de minirokjes’ van 1996. Maar op het platteland worden Bosnische moslims actief geronseld voor de jihad, om ‘échte moslims’ te worden. Veel hulpgeld gaat naar de bouw van moskeeën. 'De nieuwe groepen zijn intolerant en gesloten.'

ABE DE VRIES in Sarajevo

Na een donderbui valt een bundel zonlicht op de minaret van de belangrijkste moskee, de eerbiedwaardige Gazi Husrev-beg, in het oude centrum van Sarajevo. Natte kronen van kastanjes glinsteren boven het ommuurde moskeeplein. In de drie winters die de Servische omsingeling duurde, durfde niemand het aan om de bijl in de bomen te zetten en ze tot kachelhout te zagen.

Jonge meisjes met hoofddoekjes, gekleed in lange grijze jurken, openen de poort van de medresa, de islamitische school. Even verderop staat een groepje mondaine leeftijdgenoten te giechelen voor een Gucci-winkel. Aan de tafeltjes aan de rand van het Bascarsijaplein schenken keuvelende oude mannen koffie-met-drab uit koperkleurige kannetjes. Met videocamera's bewapende SFOR-soldaten uit Amerika proberen duiven te vangen. Het is hun eerste tour of duty. 'Sarajevo is fun!'

Servische en Kroatische vluchtelingen denken daar anders over. Hun wordt verteld dat de hoofdstad van Bosnië-Herzegovina een 'Turkse stad' is geworden, waar ze niet kunnen terugkeren. Het zou een 'broeinest van fundamentalisme' zijn, het epicentrum van een 'islamitische staat' in wording. Dat klinkt als nationalistische paranoia, maar zeker is dat alle partijen in Bosnië worstelen met de islam - en het thema is 'heet' omdat op 11 november parlementsverkiezingen worden gehouden. Niet alleen de oosters-orthodoxe Serviërs en de rooms-katholieke Kroaten worstelen met Allah, ook de Amerikaans-Europese gemeenschap die het Dayton-akkoord bewaakt, en zeker ook de Bosnische moslims zelf.

Het aartsdiocees Sarajevo van de Bosnisch-Kroatische katholieke kerk gaat verscholen achter een grijze gevel met hoge ramen in een zijstraatje. 'U roert een gevaarlijk onderwerp aan,' zegt de tweede man in de hiërarchie, de 63-jarige vicaris-generaal Mato Zovkic. 'U gaat weer weg, maar wij katholieken moeten hier leven.' Monseigneur Zovkic vindt de opmars van 'vreemde' varianten van de islam zorgwekkend. 'Landen als Saudi-Arabië en Iran geven veel humanitaire hulp, maar sluizen zo ook hun religieuze leraren binnen. Die willen van de niet al te strenge Bosnische moslims "echte moslims" maken. Vooral in dorpen rond Zenica en Travnik gebeurt dit. Ik ken imams (moslimvoorgangers) en islamitische hoogleraren theologie die zich zorgen maken. De nieuwe groepen zijn intolerant en gesloten.'

VOLLEDIG GESLUIERD

Een van de sekten is de wahabi, genoemd naar de achttiende-eeuwse geestelijke die de Saudische koningsfamilie bekeerde. Hun vrouwen gaan volledig gesluierd, een praktijk die vreemd is aan de verlichte variant van de islam die sinds 1945 in Bosnië wordt gepraktiseerd.

De Islamitische Gemeenschap in Bosnië-Herzegovina (IZBiH, de bestuurlijke organisatie van de Bosnische islam) roert zich volgens Zovkic ook danig. De opleidingscapaciteit voor leraren in religie is fors uitgebreid. Vanouds beschikte de IZBiH over twee middelbare theologische scholen in Sarajevo, voor kinderen van vijftien tot achttien jaar, en een theologische faculteit. Nu is het ook mogelijk in Zenica en Bihac een universitaire studie theologie te volgen, en is een middelbare opleiding in Mostar geopend.

Tijdens de oorlog, van 1992 tot en met 1995, probeerde de leiding van de islamitische Partij van Democratische Actie (SDA), de partij van de deze maand afgetreden president Alija Izetbegovic, in Sarajevo strikte islamitische regels in te voeren. Zovkic: 'Slagers mochten hun varkensvlees niet meer vrij op de markt verkopen. Dat werd een probleem, want internationale diplomaten konden toen geen barbecueworstjes meer krijgen.' De tegenreactie liet niet lang op zich wachten. In de zomer van 1996, een halfjaar na de afgedwongen vrede van Dayton, werd de stad vergast op de 'opstand van de minirokjes'. Moslimmeisjes lieten zien niets van de sharia, de islamitische regels voor het dagelijks leven, te moeten hebben. 'Nu zijn er dertig ambassades, en duizenden buitenlanders die voor hulporganisaties werken. Ook daardoor heeft de stad haar seculiere aanzien weten te behouden. Sarajevo is te groot. En Europa let op.'

De meeste Bosnische moslims beseffen wel dat Europa 'islamofobisch' is, aldus de monseigneur. 'De islamitische elite hier wil Europees blijven, maar tegelijkertijd wil ze meer invloed op de maatschappij. De islam maakt geen onderscheid tussen religie en staat, zoals het christendom. Een pluralistisch Bosnië is niet hun ideaal, zoals Europa vaak aanneemt, maar juist hun probleem. Hoe richt je de samenleving zo in dat die zowel voor moslims als niet-moslims acceptabel is?'

Rijdend van het vliegveld naar de stad, over de sluipschuttersboulevard die journalisten tijdens de oorlog alleen op topsnelheid durfden te nemen (de zogenoemde Sarajevo shuffle), valt een nieuwe moskee in de buitenwijk Dobrinja op. Op 15 september werd het gebouw geopend door de Saudische prins Selman. Twee four-wheel drives van de Saudische diplomatieke delegatie staan voor de ingang. Zwartbebaard personeel loopt af en aan met dozen. De moskee en het aanpalende cultuurcentrum, Koning Fahd genaamd, zijn miljoenenprojecten die scherp afsteken tegen de verweerde woonflats die er vlak naast staan. Die zitten nog vol kogel- en granaatinslagen uit de oorlog.

'Zoon van Bosnië' wordt prins Selman genoemd op grote welkomstposters langs de weg naar het centrum. Saudi-Arabië investeert honderden miljoenen dollars in Bosnië. Een groot deel gaat niet naar de economie, maar wordt gestoken in de bouw van nieuwe moskeeën. De 'zichtbaarheid' van de islam dient te worden vergroot. Soms leidt de Saudische betrokkenheid tot conflicten. Bij restauratie van godshuizen uit de Turkse tijd wil de donor nog wel eens eisen dat typisch Ottomaanse ornamenten worden vervangen door Arabische. In Kosovo ging een Saudische hulporganisatie nog rigoureuzer te werk. Bij het herstel van een moskee in Djakovica vielen eeuwenoude Ottomaanse grafstenen ten prooi aan een bulldozer: de stenen zouden 'valse aanbidding' oproepen.

In de binnenstad van Sarajevo valt telkens weer het dubbele gezicht van de Bosnische islam op. Aan het begin van Ferhadzija, de drukste winkelstraat, staat een kantoor van de IZBiH meteen naast het Cultuurcentrum van de Islamitische Republiek Iran. Misschien om de schok voor westerlingen te temperen, hangt aan de zijgevel van het Iraanse centrum een meterslang reclamehorloge van Swatch, politiek-correct verlevendigd met foto's van baby's uit alle werelddelen.

ACTIEVE MOSLIMJEUGD

Aanplakbiljetten bij de Gazi Husrev-beg moskee roepen op tot een bezoek aan een voorlichtingsbijeenkomst over de positie van vrouwen in Iran. Op dezelfde publicatieborden hangen ook posters van de Aktivna Islamska Omladina, de Bosnische tak van de Actieve Moslimjeugd, een wereldwijde, radicaal-conservatieve organisatie gesponsord door Saudi-Arabië, die in Bosnië naar schatting tienduizend leden heeft, en al eens een conferentie over rechten van vrouwen gewelddadig heeft verstoord.

Het gezicht van de traditionele Bosnische verdraagzaamheid is bedoeld voor het Westen, het islamitische Oosten krijgt dat van de Bosnische geloofsijver te zien. Om Europa gerust te stellen, noemen de moslims zich sinds 1994 'Bosnjaken', in een poging de Bosnische herkomst te laten prevaleren boven het geloof als belangrijkste natievormende factor. Daarmee werd wel de weg afgesneden naar een echt 'Bosnische' identiteit, die ook voor Bosnische Serviërs en Kroaten zou kunnen gelden.

In werkelijkheid is de Bosnische moslimelite pan-islamitisch. Enes Karic, koranexegeet, hoogleraar aan de universiteit van Sarajevo en regelmatig te gast in het Westen, schrijft in zijn Essays ten behoeve van Bosnië dat de Bosnische moslims 'het principe accepteren dat de islam wordt beleden in een civiele maatschappij en een burgerlijke staat'. Maar Karic noteert ook dat 'in de islam, anders dan in andere geloven, de nadruk valt op het feit dat er geen scheiding is tussen de wereld van het heilige en de wereld van het profane'.

Om de eenheid van staat en religie gestalte te geven, heeft de SDA de organisatie van de Bosnische islam genationaliseerd. Voor 1993 was de Macedoniër Jakup Selimowski reis ul-ulema, de hoogste geestelijk leidsman van alle moslims in het ex-Joegoslavische gebied. Sindsdien heeft Bosnië een eigen reis, Mustafa Ceric. Volgens Ceric behoort Bosnië niet tot de Dar al-Islam, de volledig islamitische wereld, noch tot de Dar al-Harb, de westerse wereld, maar tot de Dar al-Sulh, een overgangswereld waar islam en sharia niet helemaal kunnen worden geïmplementeerd omdat moslims er geen meerderheid vormen. 'Daar moet de overheid proberen zoveel mogelijk islam te brengen,' zei hij in een interview in 1997.

Eerst was er de 'kleine jihad' in Bosnië, de burgeroorlog. Nu moeten de Bosnische moslims volgens Ceric een 'grote, tweede jihad' uitvechten, 'op intellectueel terrein en in het onderricht'. Hulp is welkom. Moslims, waar ook ter wereld, zijn 'één lichaam, zoals de Profeet, vrede zij met hem, ons heeft verteld'. Vorig jaar uitte Ceric kritiek op de Bosnische staatstelevisie, die woorden als Jezus Christus en Heilige Vader gebruikte en te weinig aandacht zou besteden aan de viering van ramadan. De poging om de zender te zuiveren ontlokte heftige reacties aan de katholieke Kroatische gemeenschap, met wie de moslims nog altijd de Moslim-Kroatische Federatie vormen.

LIBERALE IMAMS

In dorpen en kleinere provinciesteden als Zenica en Travnik vindt de novi islam, de radicale geloofsbelevenis die Bosnië met het Midden-Oosten moet verbinden, beduidend meer weerklank dan in Sarajevo. Liberale imams die zich verzetten, staan onder zware druk. Begin dit jaar werd de imam van Tuzla, Muhamed Legumovic, na 27 jaar dienst ontslagen, naar eigen zeggen omdat hij weigerde propaganda te maken voor de partij van Izetbegovic.

Het weekblad Dani bracht onlangs een serie artikelen over conflicten in gezinnen waar de ouders de oude gebruiken volgen, terwijl hun zonen in aanraking komen met islamiseerders uit Arabië en zich soms zelfs melden voor de wereldwijde jihad. 'Bosnië is stil terwijl haar jonge mannen zich bekennen tot een vorm van de islam die niet in deze regio hoort,' schreef de hoofdredacteur van Dani, Senad Pecanin. 'En terwijl de Islamitische Gemeenschap timide haar stem heeft verheven, om goede relaties met Saudi-Arabië te bewaren, vanwaar religieuze praktijken naar Bosnië-Herzegovina worden getransplanteerd, misbruiken verschillende religieuze genootschappen de onwetendheid van de Bosnjaken, wier jeugd ze verkopen.'

De meest radicale criticus is de Serviër Miroljub Jevtic, hoogleraar politiek en religie in Belgrado. Jevtic (45) 'laat zich niet in de luren leggen' door de 'oppervlakkige indruk' dat van Bosnische moslims geen fundamentalistisch gevaar te duchten is. 'Bij de eerste vrije verkiezingen in 1990 stemden de moslims in grote meerderheid op de extremist Izetbegovic,' doceert hij op het terras van grand café De Russische Tsaar in Belgrado. 'Het bewijs dat het islamitische archetype in hen sterker was dan hun uitwendige aanpassing aan het Westen.'

Uit de Takvim, een kalender van de IZ-BiH met een bloemlezing van belangrijk geachte islamitische teksten, leest hij voor: 'De islam streeft ernaar om alle staten en regeringen, waar ook op het gezicht der aarde, te vernietigen die zich tegen de ideologie en het program van de islam teweerstellen.' De Takvim verscheen ruim voor het uitbreken van de Bosnische oorlog. 'Islam en democratie is als water en vuur,' vindt Jevtic.

KUNSTAANBOD

Cultuurwatchers in Bosnië hebben het voor de oorlog zo gevarieerde kunstaanbod zien verschrompelen. De 27-jarige Emir Imamovic is journalist van Dani en een belijdend moslim. 'Het culturele leven in de stad is gedood, door de oorlog maar ook door de SDA,' zegt hij. 'Concerten van religieuze groepen krijgen steun, terwijl het internationale theaterfestival Mess altijd met financiële problemen kampt.' In cafés klinkt nationalistische turbofolkmuziek. 'Dezelfde shit als in Servië en Kroatië, maar dan met de moslimtraditie als thema.' Saudi-Arabië vindt hij 'bloedgevaarlijk, we schrijven er constant over'. De SDA van Izetbegovic 'probeert een geloofsstaat te stichten, ze zijn niet van deze tijd'.

Veel tijd is de SDA waarschijnlijk niet meer gegeven. De partij, van hoog tot laag verwikkeld in corruptieschandalen en beschuldigd van grootschalig misbruik van belastinggeld en buitenlandse steunfondsen, zal bij de verkiezingen op 11 november een klap van de kiezers krijgen. Plakkaten langs de wegen laten boze stripfiguurtjes zien, die vragen waar hun geld is gebleven. De winnaar van de verkiezingen in moslim-Bosnië wordt de Sociaal-Democratische Partij (SDP), de partij van de oude 'rode' moslimelite. Terwijl in Servië de nationalistische oppositie bezig is het land te bevrijden van ex-communisten, moeten in Bosnië ex-communisten verlossing brengen van als nationalisten vermomde islamisten.

'Plotseling is de wereld een geheim voor me geworden, en ik voor de wereld,' peinst Ahmed Nuruddin, de verpersoonlijking van de Bosnische moslims in de beroemde roman De dood en de derwisj van Mesa Selimovic. 'Niet langer herkennen of begrijpen we elkaar.'

Dealen op de Balkan



Trouw, 6 april 2000

De zuidelijke Balkan ontwikkelt zich in hoog tempo tot een van de belangrijkste drugsregio's ter wereld. Smokkelroutes in deze 'heroïnepoort van Europa' lopen van Bulgarije in het oosten, via Macedonië, Albanië en Kosovo naar Montenegro aan de Adriatische Zee. De verpauperde bevolking zoekt steeds meer haar heil in marihuana. Een reportage uit de Zuid-Servische stad Nis.

Abe de Vries

Marko Sajic zat net vier dagen in dienst toen de oorlog uitbrak. Hij wist nog niet hoe je met een geweer moest omgaan of hoe je een uniform hoorde te dragen. Maar over het bouwen van een joint hoefde je hem niks te vertellen. Hij was ingedeeld bij de militaire politie. Stoned als altijd stond hij op de avond van 24 maart 1999 in de rij voor de militaire keuken in een klein dorpje bij Leskovac langs de grens met Kosovo. Daar had de opleidingseenheid de tenten opgeslagen. Bij het doffe gedreun van de eerste ontploffingen, ergens achter de bergen, dacht hij eerst aan een oefening. Uit de plotselinge paniek kon hij opmaken dat het menens was. ,,Ik keek naar de lucht. Explosies, lichtschitteringen. Ik rende en dacht aan niets. We lachten en lachten en vlogen, drie maanden lang.''

De wiet kwam van een plaatselijk vriendinnetje. Eigen teelt. In dat dorp groeien de planten in het seizoen overal, zegt Marko. De meeste gezinshoofden uit het plaatsje werken ergens in West-Europa. Hun zoons zien hun kans schoon met vaders afwezigheid en kweken maar raak; in de tuin, in het bos, op de akkers. Als de militaire politie-in-spé op mars was dan was het gewoonte even geblesseerd uit te vallen om snel een plantje achterover te drukken. Acht van de tien dienstplichtigen in Marko's eenheid blowden. De idylle in dit 'dorp van de goede grassen' herinnert hij zich als de mooiste van z'n hele diensttijd. ,,We vonden het vreselijk jammer dat de oorlog was afgelopen'', grinnikt hij.

Nis blowt om te ontsnappen aan de harde werkelijkheid en dealt om te overleven. De tweede stad van Servië telt 270.000 inwoners, minstens 15.000 vluchtelingen en heeft een werkloosheid van maar liefst 70 procent. Het gemiddelde inkomen ligt er onder de 70 mark per maand. In het groeiseizoen, dat de komende weken begint, zullen volgens lokale dealers vele honderden veldjes met twintig tot vijftig marihuana-planten te vinden zijn in de dorpen en gehuchten rond de stad. Jongeren die van het platteland naar Nis zijn getrokken, telen marihuana op de akkers van hun nietsvermoedende grootouders, meestal voor eigen gebruik, maar ook om wat bij te verdienen.

Grote plantages zijn in het voorjaar te vinden in de bergen bij de stad Prokuplje, niet ver van Kosovo en de streek rondom Bujanovac en Presevo, waar de meerderheid Albanees is. Wat niet bestemd is voor de straathandel in Nis, Belgrado of andere Servische steden, gaat naar het grensplaatsje Trnovac. Al sinds het begin van de jaren negentig houdt de Albanese maffia zich daar bezig met de handel in heroïne en marihuana.

,,Er is reden voor alarm'', zegt hoogleraar sociologie Djokica Jovanovic. ,,Het gaat te ver. In het zuiden van Servië zie je een massale vlucht in een virtuele realiteit.'' In het Westen is het gebruik van marihuana wellicht een manier van leven, een mode, denkt de uit Pristina gevluchte professor die nu in Vranje college geeft. In de jaren zeventig was dat in Joegoslavië ook nog zo, toen het land in het Oostblok voorop liep met Europese contacten. ,,Nu rookt iedereen marihuana. Zelfs mannen op middelbare leeftijd met kinderen beginnen er mee.''

De Servische overheid verbergt volgens de hoogleraar de omvang van het drugsprobleem. Omdat de autoriteiten niet in staat zijn er iets aan te doen, wordt er niet over gepraat. ,,Het zou het falen van de regering blootleggen. Dus blijft men stil.'' Door de overheid bekostigde onderzoeksprogramma's om oorzaken en gevolgen van het drugsgebruik in kaart te brengen, zijn er niet. Maar volgens Jovanovic zwijgt de democratische oppositie ook, uit opportunisme. ,,Drugsgebruikers zijn kiezers. Het is een grote groep die men niet tegen de haren wil instrijken.'' Een grote voorlichtingscampagne in Nis over de gevaren van drugs, drie jaar geleden, bloedde wegens gebrek aan belangstelling dood.

Sancties, uitzichtloosheid, geen werk en minder geld dan de Serviërs in het noorden van het land -Nis houdt zichzelf het liefst voor de gek. De ene helft van de stad doet alsof er niets aan de hand is en probeert krampachtig 'normaal' te bestaan; de andere helft verdooft zichzelf met drank of drugs. In Nis is het niet uitzonderlijk om tien tot twintig uur in de rij te staan voor een paar liter benzine. Autorijden is een van de weinige bezigheden die herinneren aan een normaal leven.

Er is meer van dat soort zelfbedrog. Het lijkt alsof werkelijk iedereen weddenschappen op de voetbaluitslagen afsluit. Alle kiosken op straat verkopen voor een paar dinar de wedstrijdschema's van alle Europese competities. De toeloop op de bookmakers is massaal. De hoop op een extraatje, en dus op een beter leven – al is het maar voor een paar dagen - is groot.

Vladan Markovic handelt in dope. Hij heeft net zeven maanden in de gevangenis achter de rug, maar is alweer bezig. De heroïne krijgt hij van een Albanees uit Trnovac. Soms rechtstreeks, soms via een tussenpersoon in Vranje. Officieel heeft Nis 1100 geregistreerde verslaafden aan heroïne. Het werkelijke aantal gebruikers van harddrugs schat Vladan op vier- tot vijfduizend. Na de oorlog om Kosovo is het moeilijk om contact te krijgen met de Albanese leveranciers, zegt hij. ,,Je moet iemand kennen, of met een aanbeveling op zak komen. Iemand moet garant voor je willen staan.''

Tegenwoordig is hij meer geïnteresseerd in cocaïne, ,,vanwege de grotere winsten.'' Ook zijn coke (belo in het Servisch, wat wit betekent) komt uit Trnovac. In het plaatsje, dichtbij Kosovo en Macedonïe, beheersen een paar Albanese families de handel. Het stadje is een regionaal distributiepunt voor heroïne uit Bulgarije en Macedonië en voor cocaïne uit Kosovo.

Een van de grote drugsroutes op de Balkan loopt van Turkije naar de 'stapelmarkt' in het Bulgaarse Sofia, vandaar via Nis naar Trnovac, dan naar Gnjilane in Kosovo en verder naar Podgorica en Bar in Montenegro. Langs deze route vindt het voornaamste multi-etnische contact tussen Serviërs en Albanezen plaats bij de Servisch-Bulgaarse grens, als Albanese smokkelaars de Servische grenswachten omkopen. Vladan: ,,Onze corrupte douane pakt alleen de nieuwen, die voor het eerst werken.'' Volgens de Internationale Crisis Groep, een door de Soros-stichtingen gefinancierde 'denktank' voor de Balkan, loopt een tweede route via Zuid-Macedonië en het meer van Ochrid naar de Albanese haven Dürres. Een derde gaat via Noord-Macedonië en het Skadar-meer naar Podgorica en Bar; een vierde (mogelijk de belangrijkste) loopt naar Montenegro via Kosovo.

Albanezen controleren de handel langs alle smokkelwegen. Allereerst doordat zij behalve in Albanië en Kosovo ook in grote aantallen in Macedonië en Montenegro wonen. Daarnaast zijn zij goed georganiseerd door hun grote familieverbanden. Gecombineerd met de eigen taal van de Albanezen garandeert dat geheimhouding en bescherming tegen verraad.

De hechte Albanese sociale structuur en de armoede in de zuidelijke Balkan maakt de Albanese maffia vergelijkbaar met de Siciliaanse. Volgens Interpol en andere Europese organisaties voor drugsbestrijding is Kosovo het afgelopen jaar uitgegroeid tot het grootste doorvoercentrum van heroïne naar West-Europa. Tachtig procent van de heroïne die in Europa aan de man wordt gebracht, zou via Kosovo lopen. Iedere maand wordt vier tot vijf ton vanuit Turkije via Kosovo getransporteerd.

Dat is ruim een verdubbeling in vergelijking met de periode voor de Kosovo-oorlog. De cijfers zijn afkomstig van Marko Nicovic, het voormalige hoofd van de narcotica-politie in Belgrado. De Serviër, tegenwoordig vice-voorzitter van de Internationale Politie-associatie van Drugsbestrijders in New York, heeft onderzoek voor Interpol gedaan waaruit blijkt dat vijf- tot zesduizend Albanezen in Kosovo direct bij de handel in heroïne zijn betrokken. De explosieve groei is volgens Nicovic mede te wijten aan het vertrek van de Servische politie uit Kosovo. De internationale VN-politie die ervoor in de plaats is gekomen, is zwaar onderbemand en heeft geen enkele ervaring met drugshandel in de regio.

Als 'the King of grass' van Nis zijn entree maakt, zal iedereen het weten ook. Sasha Djordjevic stampt met drie medewerkers in zijn kielzog het café-restaurant binnen. Zwartzijden overhemd, leren broek, 23 jaar. Meteen wil hij eten op tafel zien. De duurste gerechten. Daarna geeft hij de ober opdracht twee joints te bouwen. ,,Top-marihuana uit Albanië'', roept hij.

In de hoek oefent een zangeres op het melancholieke Turkse melos van de Zuid-Servische volksmuziek, begeleid door een zigeuner met een kleine synthesizer. Sasha legt uit hoe hij zakenman is geworden. ,,Ik had simpelweg niets te eten. Er was een kans, die heb ik gegrepen.'' Zijn eerste 200 gram verkocht hij binnen een week. Toen z'n broer besloot mee te doen, kochten ze samen hun eerste mobiele telefoon. Nu werkt hij de klok rond. Z'n wiet haalt hij uit Podgorica in Montenegro voor 150 mark per kilo.

Een tussenpersoon doet voor hem zaken met Montenegrijnse Albanezen. Sasha is een van de vijf dealers in Nis die het aandurven om geregeld tien kilo te vervoeren. ,,De verpakking van het spul dat ik krijg is altijd nat. Dus ik vraag: hoe komt dat? Zeggen ze: vanwege de lekke bodems van de boten op het Skadar-meer.'' Zijn collega's in Nis dealen ook in dope. Hij doet alleen marihuana en 'shit' (hasj). ,,We hebben de markt verdeeld. Zij kopen in Trnovac, ik niet.''

Bij zijn reizen naar Podgorica gebruikt hij iedere keer een andere smokkelmethode. Soms stopt hij de handelswaar in de banden van z'n auto, soms tussen de ski's op de imperiaal. Een vermomming als toerist werkt meestal goed. Altijd zorgt hij ervoor dat hij een meisje bij zich heeft. ,,Om de politie af te leiden.''

Wie in Nis wiet wil kopen, moet een leverancier kennen en hem op zijn mobiele nummer bellen; gelegaliseerde coffeeshops met het assortiment op een menukaart zijn er in Servië niet. Wiet kopen betekent hier nog steeds in een donker straatje aanbellen, snel overleggen met een schichtig om zich heen kijkende dealer en dan wegwezen. Handel en bezit zijn strafbaar. Blowen ook, al zijn er wel enkele kleine kafanas (cafés met muziek) waar de bediening het gebruik van marihuana toestaat.

Ondanks zijn ondergrondse werkwijze zegt Sasha 3500 mark per maand op te strijken. Dat is vijftig keer het gemiddelde inkomen. ,,Alles gaat op aan drank, eten en vrouwen.'' Gebulder van zijn vrienden. Dan valt hij stil. Het liedje van de zangeres gaat over een aan lager wal geraakte vrouw, die zich haar dromen herinnert. Iemand merkt op dat uitbundige vrolijkheid in Servië heel vaak een uiting van wanhoop is. ,,Ik blow omdat ieder normaal persoon met ook maar een klein beetje hersens dit land al lang heeft verlaten'', peinst Sasha. ,,Ik zoek een ondergrondse tunnel naar de andere kant van de wereld.''



 

Misleid door de slang



Elsevier, 12 mei 2001

CRIMINELE MENSENSMOKKELAARS BELOOFDEN CHINESE GELUKZOEKERS GOUDEN BERGEN IN HET STRAATARME SERVIË

Na de dood van 58 illegalen in Dover voedde Brussel paniekverhalen. ‘Honderdduizenden’ Chinezen zouden vanuit Belgrado West-Europa ‘overspoelen’. Onzin. Maar de gelukzoekers zijn de Balkan wel beu. De handel in wasknijpers en mobieltjes levert niets op. ‘Veel Chinezen kiezen voor Nederland.’

ABE DE VRIES in Belgrado

Hong Hua is een teleurgestelde infanterist van het mondiale handelskapitalisme. De 37-jarige Chinese immigrant in Belgrado heeft een 'zaak', dat wil zeggen een krap bemeten uitspanninkje, volgestouwd met kaarsen, paraplu's, kunstbloemen, gloeilampen en kinderspeelgoed. Zijn werkterrein is Blok 70, een vervallen gebouw in het noorden van de stad, onderdak voor meer dan 350 winkeltjes van Chinezen. Allemaal slijten ze dezelfde driestuiverprullen van de Chinese consumentenindustrie.

'In Sjanghai hoorde ik vrienden praten over de snelle ontwikkeling van Oost-Europa,' zegt Hong Hua. 'Ik dacht meteen: dit is mijn kans.' Maar zijn vierjarig geploeter aan de rafelrand van Europa heeft hem niet de gunst van vrouwe Fortuna gebracht. 'Achteraf had ik beter naar het Westen kunnen gaan.’

Alle deugden die nodig zijn om te slagen in een vrijemarkteconomie bezit hij. Ondernemend, inventief, opofferingsgezind en hardwerkend is Hong Hua. Een Armani-pak, het uniform van de rijke maffiosi in Belgrado, is voor hem niet weggelegd: hij draagt nog altijd het van thuis meegenomen kloffie. Versleten ribbroek, grijs jasje, gymschoenen. Verlegen en constant beleefd glimlachend draalt hij rond in zijn winkeltje van vier bij drie meter. Hij is hard voor zichzelf, zoals veel Chinese emigranten. Zijn vrouw ging mee op reis, maar zijn twee kinderen, nu vier en vijfjaar oud, liet hij bij z'n grootouders achter. De afgelopen twee jaar zag hij ze twee keer. Permanent terug naar China kan hij niet, hij heeft te veel geïnvesteerd. Blok 70 houdt hem gevangen. 'In de toekomst hoop ik andere landen te zien. Zodra ik een visum krijg.'

YUGOOTJES

In het Belgradose 'Chinatown' detoneren de grijze gelegenheidskostuums van de doorlopend mobiel telefonerende Chinese handelaren nogal met de glanzende trainingspakken van de immer rokende Servische clientèle. Verkopers slepen af en aan met grote dozen met Chinees opschrift. Buiten worden kleine Yugootjes volgeladen met tassen. De kinesi, zoals Chinezen worden genoemd, spreken nauwelijks Servisch. De prijzen noemen, dat lukt nog net. Hier winkelruimte huren kost 1600 gulden per maand voor een oppervlak van 18 vierkante meter. Weinigen kunnen de huur gemakkelijk opbrengen, want door gebrek aan variatie in de goedkope waar concurreren de Chinezen in Blok 70 elkaar kapot.

In het gebouw patrouilleert een particuliere beveiligingsdienst die roofovervallers moet afschrikken. Ook zijn de handelaren beducht voor de politie, die de verblijfsvergunningen controleert en er afpersingspraktijken op nahoudt. Onder Milosevic kregen de Chinezen grif een vergunning voor een, twee of drie jaar, maar nu de voormalige oppositie een restrictiever beleid voert, zijn ze al in hun sas met drie maanden.

Het verhaal van handelaar Zhao Ming (30) is dat van de meeste Chinese emigranten. Hij werkte in het zuidoosten van China in een machinefabriek, raakte z'n baan kwijt en opende een winkeltje. Hoewel hij het leven in zijn geboorteland 'niet eens echt moeilijk' vond, wilde hij toch weg. 'Als tiener dacht ik al aan het buitenland.' Een paspoort en een visum voor Joegoslavië kostten 4500 gulden. Dat heeft hij nog niet terugverdiend. Zhao Ming, even in Blok 70 om inkopen te doen, beproeft nu zijn geluk in Sremska Mitrovica, in de noordelijke provincie Vojvodina. Daar gaat het iets beter dan in Belgrado, houdt hij zichzelf voor. 'Waarschijnlijk omdat ik in Sremska Mitrovica de enige Chinees ben.’

Het aantal Chinezen in Servië is een raadselachtige kwestie. Afgaand op berichten in de westerse pers herbergt het land veertigduizend, honderdduizend, misschien zelfs tweehonderdduizend Chinezen, die allemaal staan te popelen om langs slinkse wegen Nederland en de andere Europese welvaartsstaten binnen te komen. Milosevic liet hen overkomen, als doortrapte wraak voor de NAVO-bombardementen. Zijn regime wilde met dit enorme leger potentiële arbeidsmigranten het Westen 'destabiliseren'. Zo heette het althans sinds de zomer van vorig jaar na het incident met de gestikte Chinezen in Dover, aangetroffen tussen een partij tomaten in de oplegger van de Nederlandse vrachtwagenchauffeur Perry W. In maart van dit jaar liet de Europese Unie een intern rapport rondgaan waarin werd gerept van tweehonderdduizend Chinezen in Servië.

Uit inspectie ter plekke blijkt weinig reden voor het gebeier van de Brusselse klokkenluiders. De grootste groep Chinezen – zo'n 1500 - werkt in Blok 70. Ze hebben appartementen in enkele grote flatblokken aan de Boulevard Joeri Gagarin, de enige plaats in Belgrado waar Chinezen wonen. Inclusief vrouwen, kinderen en 'zwervende' kooplieden, die het land door trekken, gaat het om niet meer dan vijfduizend mensen. Een tweede groep, ongeveer driehonderd Chinezen, staat op de grote openluchtmarkt van Pancevo, een stadje ten noorden van Belgrado. Een aantal van hen woont in de hoofdstad en rijdt heen en weer, anderen huren een kamer in Pancevo. Verder zijn er enkele kleinere Chinese 'kolonies' in provinciesteden als Krusevac en Leskovac. Heel Servië telt maximaal achtduizend Chinezen.'

GELE GEVAAR

Het lijkt erop dat de EU zich op sleeptouw heeft laten nemen door de voormalige oppositie tegen Milosevic. Al in 1999 begonnen zijn tegenstanders het 'gele gevaar' te overdrijven. Na de NAVO-bombardementen verspreidde de Democratische Partij van de huidige premier Zoran Djindjic geruchten dat de Chinezen een Joegoslavisch identiteitsbewijs kregen, 'wat zelfs onze Servische vluchtelingen uit Kroatië en Bosnië niet lukt'. Maar bewijzen waren er niet en menig journalist beet zijn tanden stuk op het verhaal. Uit dezelfde hoge hoed kwamen de grote aantallen Chinese immigranten: de oppositie probeerde angst te kweken in de hoop dat die zich tegen Milosevic zou keren.

De meeste Chinezen in Joegoslavië willen wel naar West-Europa, desnoods illegaal. De tragedie in Dover laat zien welke risico's worden genomen. 'Ik snap nog steeds niet hoe ze het durven. Op weg naar het Westen raakt nogal eens iemand zoek,' zegt de 26-jarige Servische Ankica Barbulov. Haar studie Chinees heeft ze nog niet afgerond, omdat ze de afgelopen twee jaar fulltime werkte als fanyi, tolk. Barbulov vermoedt dat een veelvoud van Servië's achtduizend Chinezen Belgrado heeft gebruikt als tussenstop op weg naar het Westen.

De meeste Chinezen - laag opgeleid, afkomstig van het platteland - weten niet wat ze in Servië te wachten staat. Ze geloven dat de Serviërs zwemmen in het geld, maar al snel ontdekken ze het bedrog van de 'slangenkoppen', de criminelen die de mensensmokkel organiseren. 'Ze zijn veel te trots om toe te geven dat hun project is mislukt,' denkt tolk Barbulov. 'Die koppigheid gaat heel ver. Sommigen lenen hier geld om er thuis mee te kunnen showen.'

SPOOKFIRMA'S

Ook steden als Moskou en Boedapest hebben grote Chinese gemeenschappen van emigranten. De Amerikaanse overheid schat dat elk jaar ongeveer honderdduizend Chinezen hun land verlaten, niet vanwege politieke onderdrukking, maar voornamelijk uit economische motieven. De meesten zijn afkomstig uit de provincies Fujian en Zehjiang in het zuidoosten, een regio waar ondanks buitenlandse investeringen het einde van een lange traditie van emigratie nog niet in zicht is.

Een deel vertrekt legaal op een toeristenvisum, anderen maken tegen betaling van tienduizenden guldens gebruik van spookfirma's en boekingsbureaus van maffianetwerken. De achterblijvers profiteren van de avontuurlijke landverhuizers: banken in beide provincies krijgen jaarlijks honderden miljoenen dollars gestort uit het buitenland.

Predrag Simic, ooit werkzaam voor voormalig oppositieleider Vuk Draskovic, is opgeklommen tot buitenlandadviseur van de nieuwe Joegoslavische president Vojislav Kostunica. Zijn werkkamertje in het hoofdkwartier van Draskovic' Servische Vernieuwingsbeweging heeft hij verruild voor een groot kantoor met secretaresse in een pompeus ministeriecomplex. Simic waardeert de kleine Chinese minderheid. 'De Chinezen -geen geschoolde arbeiders maar wel harde werkers - brengen adrenaline in de Servische samenleving. Concurrentie van Chinese kooplieden kan voor veel lokale gemeenschappen een oppepper zijn.'

Vermoedelijk was hun komst na de NAVO-acties onderdeel van een pakket afspraken met Peking waartoe ook een monsterkrediet van 800 miljoen gulden hoorde. Daarmee kon Milosevic de dinar een halfjaar stabiel houden, elektriciteit importeren en reparaties aan de vernielde infrastructuur financieren. De speciale relatie met China stamde uit 1997, toen bij een staatsbezoek aan Peking vooral de gestaalde marxiste Mira Markovic, de First Lady van Joegoslavië, zich gecharmeerd toonde van het Chinese communisme.

Onder druk van het Westen bekoelt de liefde nu. Inmiddels is een nieuwe Servisch-Chinese associatie opgericht ‘om de relaties te normaliseren’. Kostunica heeft een nieuwe ambassadeur in Peking aangewezen en ook de rest van het kwistig met visa strooiende Joegoslavische ambassadepersoneel is vervangen. Met China zal een overeenkomst voor repatriëring van een aantal immigranten worden getekend. 'Het nieuwe Servië wil met China bevriend blijven, maar zonder de ideologische rimram,' zegt Simic.

De verhouding verandert, de Chinese drang tot levensverbetering in het Westen niet. Alleen de eerste groep immigranten uit China doet het goed, zegt Ankica Barbulov, de tolk. 'Ze gokken in casino' s. Chinezen zijn gelukszoekers, dat zit diep in hun cultuur.' Een van de Chinese criminelen die het Dovertransport organiseerden, was een graag geziene gast in het Belgradose gokcircuit en had goede connecties met de Servische maffia.

BIJENKORF

Op de grote markt van Pancevo, de buvljak, is van de beloofde gouden bergen geen spoor te bekennen. Een paar duizend marktkramen van ongeschaafd vurenhout en golfplaten staan tussen de stad en de metrolijn naar Belgrado op een modderige strook land. Duizenden Serviërs wurmen zich door deze multi-etnische bijenkorf van de Balkan. De een lonkt naar een paar gympies van 20 gulden, nep-Nikes in de aanbieding bij een besnorde Hongaar, de ander onderhandelt met een Roemeen over het dubbeltje dat die voor een zakje wasknijpers durft te vragen.

Aan de zuidrand ligt de Chinese 'wijk': driehonderd daadkrachtige entrepreneurs die morren over de lage verdiensten. Zoals Zhenzhi Hui, een jonge vrouw van 25 die net moeder is geworden. Pas vier maanden is ze in Servië. Ze verkoopt plastic kalasjnikov-geweren, wasknijpers, mobieltjes, badmintonrackets, wattenstaafjes, zijden sjaals, babykleren, zaklampen, scheermesjes en pingpongbatjes. 'Natuurlijk denken we aan de rest van Europa. Maar het is moeilijk. We hebben gehoord dat steeds meer Chinezen kiezen voor Nederland.'

Het grootste probleem, zegt de 42-jarige Zhu Tou, is de verblijfsvergunning die van de politie moet komen. Verlenging stuit op bezwaren. 'Zelfs als je ze geld geeft, willen ze het niet meer doen,' roept hij. 'Deze staat houdt niet meer van ons.' Chinezen die op straat lopen, worden vaak aangehouden. Agenten komen elke dag op de markt. Van Chinezen die een vergunning hebben, willen ze 20 gulden; wie niets kan laten zien, moet 120 gulden betalen. 'Ik wacht nog even af. Misschien ga ik naar Italië, of Spanje.'

Aan een ketting om zijn nek draagt Zhu Tou een steen van jade. 'Voor good luck. Maar ik verdien geen geld. Ik heb geen geluk.'








 

zondag 2 mei 2021

Hoofdstraat van Europa

 


Elsevier, 25 augustus 2001

ONTDEKKINGSREIS LANGS DE DONAU; VAN DE FORELLENTEMMER IN OOSTENRIJK TOT DE GANZENHOEDSTERS VAN DE KARPATEN

Overal in het oude Oostenrijk-Hongarije heerst al het nieuwe keizerrijk: de Europese Unie. Met magie, en met subsidies. De Donau is de ‘grote integrator’: de rivier verbindt de schittering van Wenen met de steekmuggen van het Roemeense Moldova Noua. ‘De grens tussen West en Oost bestaat niet.’

ABE DE VRIES in Bratislava (Slowakije)

Neem in het Zuid-Duitse Passau de E35 langs de rechteroever van de Donau, sla in het Oostenrijkse Engelhartszell rechtsaf, en twaalf haarspeldbochten verder is daar het 'forellencircus' van de 85-jarige Karl Luger. De man die vissen traint met behulp van kattenworst en regenwormen.

De watermolen naast zijn huis is een klein museum van het boerengezinsleven. Luger noemt zijn handgedraaide Singer-naaimachien een 'zenuwenkalmeringsapparaat'. De forellen – de circusartiesten - zwemmen in een met roosters afgezet en met planken bedekt beekje. Er is een 'kleuterschool' voor de jonkies en een 'rusthuis' voor een twaalfjarige forel. De meestertemmer houdt een ring half in het water en laat een wormpje bungelen: een forel springt, botst op een bal – doelpunt. Slotstuk van het variété is een kraaiende haan op zijn hoofd-met-pet. 'Ach, hoe snel vergeten zijn de mooie uren,' zingt Luger.

GOUDGLANS

Iets van weemoed hoort bij de Donau sinds Oostenrijk-Hongarije, 'de eerste Europese unie', uiteenviel in 1918, twee jaar nadat Karl Luger was geboren. De rivier was Oostenrijk-Hongarije. Over de veelvolkerenstaat tussen Duitsland, Rusland en de Zwarte Zee hangt de laatste jaren een zachte goudglans. Bewonderaars zien een voorloper van de Europese Unie, evenzeer een eenheid-in-verscheidenheid. Het rijk onderdrukte zijn minderheden, maar probeerde het nationaal besef in de rijksdelen ook met economische prikkels en een professionele bureaucratie te beteugelen. 'Oostenrijk is geen staat, geen vaderland, geen natie. Het is een religie,' schreef Joseph Roth (1894-1939), de auteur van Radetzkymars, de belichaming van Oostenrijk-Hongarije. Voor zijn werk is in Nederland, Duitsland en Frankrijk hernieuwde aandacht, en daar zijn behalve literaire ook politieke redenen voor. De Europese Unie moet slagen waar het Oostenrijk-Hongarije van Joseph Roth faalde: in het vinden van een gemeenschappelijke noemer voor heel die Midden-Europese verscheidenheid.

Nu de EU over enkele jaren oostwaarts uitbreidt, is de Donau in de woorden van Heinrich Heine weer de 'grote integrator' ; de 'hoofdstraat van Europa' volgens de Hongaarse schrijver György Konrad. Wat vinden de bewoners van deze straat van de Europese Unie, waarvan ze binnenkort deel zullen uitmaken? Wat verwachten ze van de EU?

PAARDENSCHEDELS

Reizen langs de Donau is reizen door een historisch laboratorium van integratie en uitsluiting, oorlog en vrede. Tweede stop: het slot Werfenstein in het dorp Struden. De Donau, die vroeger op deze plaats gevaarlijk kolkte, is getemd tot een kringelende watermassa. Dynamiet heeft de klippen geruimd en de bedding tussen de bergen verbreed. De burcht, een dertiende-eeuws verdedigingswerk tegen invallers uit het oosten, torent uit boven het water. Hier was het fascisme in de kiem aanwezig. Op Werfenstein hees de uitgetreden benedictijner monnik Lanz von Liebenfels in 1907 de eerste hakenkruisvlag. Hij was hoofdredacteur van het anti-semitische, door Hitler gelezen blad Ostara, en 'aartsprior' van zijn Orde van de Nieuwe Tempel. De kapmutsen verheerlijkten blonde Germanen en vonden andere menstypen 'vernegerd'. Het Oostenrijkse verleden drukt zwaar op Struden.

De burcht is privébezit. Brigitte Feistl, een rijzige Weense, blijkt een gastvrije kasteelvrouwe. Zij en haar man Anton, een koopman, kochten de ruïne drie jaar geleden. 'Om karmische redenen ben ik hier graag,' zegt ze. De eerste man van haar moeder is in Mauthausen vermoord. 'Hij was een verzetsstrijder.' Eerst was de familie bezorgd dat er neonazi's zouden komen, maar dat valt mee. De Feistls wonen in een nieuwe bungalow, die tussen de gerestaureerde kasteelmuren is ingeklemd. De rotstuin, waar destijds paardenschedels aan de bomen hingen en de Germaanse goden werden vereerd, is veranderd in een rozenhofje.

Op naar Wenen, bonbon van het 'tusseneuropa, om even de smaak van de nieuwe Europese Unie te proeven. De rit gaat door de opgeruimde, wit en geel geschilderde dorpjes van de golvende Wachau. In Wenen krijgt de Donau pas allure. Vanaf de Donautoren valt op hoe de barokke wereldstad van de rivier een soort Heilige Drie-eenheid heeft gemaakt. In een lus door de binnenstad stroomt het oude water, smal en ingemetseld als een Amsterdamse gracht. Een tweede oude tak neemt een noordelijke bocht, waar de zwembaden van de vakbonden zijn en de villa's van de elite. Tussen beide armen in dringt het zilveren Donaukanaal zich breed en kaarsrecht naar het oosten.

Wenen is de vergrote Unie in het klein. Een stad van immigranten: er wonen en werken honderdduizenden Serviërs, Kroaten, Slowaken, Hongaren, Roemenen, Bulgaren en Albanezen. Midden-Europees Wenen weet dat de Unie eraan komt, en vindt dat een fijn gevoel. Op het terras van het Edwardiaans ingerichte Café Schwarzenberg aan de Kartnerring - zo'n etablissement waar een besteld pakje sigaretten geopend op een schoteltje wordt geoffreerd - zegt de Bulgaarse ijzervlechter Stefan Dimitrov met veel nadruk dat hij de uitbreiding van de EU eine tolle Sache vindt, een geweldige zaak. 'De Bulgaren zullen er profijt van hebben,' zegt hij. Maar hoe precies, dat weet hij niet. Hij is tenslotte geen politicus.

BRATISLAVA

Geen troostelozer aanblik dan de Donau die langs een bedrijventerrein stroomt. Het oosten begint bij de eerste de beste landweg van Wenen naar Burgenland, zo heette het in de negentiende eeuw. Een betere markering is de zestig kilometer verderop gebouwde Novy most, de futuristische brug over de Donau in de Slowaakse hoofdstad Bratislava, dat de Weners nog altijd Pressburg noemen. De dubbele schotel op hoge poten doet denken aan robots die de wereld verwoesten. In Bratislava wordt de rivier onrustig.

Sinds hun afscheiding van Tsjecho-Slowakije in 1993, onder leiding van de populist Vladimir Meciar, noemen de Slowaken zichzelf de jongste natie van Europa, maar ze zijn van alle Midden-Europese volken ook het meest enthousiast over de Unie. Een collectie kindertekeningen in het Informatiecentrumvan de EU is het resultaat van een prijsvraag waaraan 149 scholen meededen. 'Europa is mijn huis,' was het motto. Zonlicht. Kikkers.

Een Ark van Noach met alle Europese naties aan boord. Slowaakse kinderen zijn dol op de EU. Aan de overkant van de straat hangt het reclamebord van het reisbureau Balkan Holidays nog met één schroef aan de muur.

Brussel regeert Slowakije al: met de belofte van welvaart, met subsidies, met propaganda, met de aanleg van een pro-Europees wegennet in de hoofden van de Slowaken. Bijvoorbeeld de koppen van Lukas Borzik en Andrej Priehoda, die gitaar en viool spelen tegenover het Karmelietenklooster - dat met Europees geld wordt opgeknapt. Tegen de donkere muren klinken de Slowaakse volksliedjes extra in zichzelf gekeerd en melancholiek. Volgende week willen de straatmuzikanten in Wenen spelen, ze wachten op een werkvergunning. Lukas: 'Europa is een oud continent, waar mensen elkaar altijd hebben ontmoet en zich gemengd.' Andrej: 'De grens tussen West en Oost bestaat niet. Het is iets dat mensen in hun hoofd hebben gehaald.’

Het hydrografisch station op de kade bij het hotelschip Gracia geeft een watertemperatuur van 17,1 graden Celsius, bij een waterstand van 349 centimeter. Op de bankjes onder de bomen zitten rugzakkers in de schemering te zoenen. De zon is allang onder zeil als de River Cloud, een plezierboot uit Basel, nog dwars op de rivier ploegt en stampt om te keren. Exact 2460 kubieke meter water per seconde stroomt in Bratislava door de Donau. Het schip wordt als een tak door de stroom meegevoerd.

HONDENTRAINING

Langs de E575 ten zuidoosten van de stad kleuren zonnebloemen het land geel. Voor 1918, en weer van 1938 tot 1945, hoorden de boeren in deze vlakke streek bij Hongarije. Zoals zoveel stadjes in Midden-Europa vertelt ook Vel'ky Meder - nog steeds etnisch-Hongaars - een wrede geschiedenis. Een reisgids meldt dat er duizenden Servische krijgsgevangenen uit de Eerste Wereldoorlog te ruste zijn gelegd.

Het oorlogskerkhof blijkt moeilijk te vinden. De begraafplaats van 5135 doden – slachtoffers van tyfus en cholera - blijkt een klein grasveldje, weggestopt aan de stadsrand. Een verroest hek, een vervallen kapelletje. De 72-jarige Hongaar Tibor Tanczos, de plaatselijke historicus, wil dat de gemeente de gewijde plek opknapt, maar die geeft niet thuis. 'Ik heb voorgesteld Europese subsidie aan te vragen. Men wil niet. Het is een schande voor de stad,' zegt Tanczos. Op het knekelveld zijn in de loop der tijd huizen gebouwd, is een bos geplant en een deel is als trainingsterrein in gebruik bij een hondenvereniging.

Andere Slowaakse gemeenten weten de weg naar Brussel goed te vinden. Komarno, stroomafwaarts, heeft speculerend op een nog te ontvangen miljoenensubsidie alvast een 'Europaplein' aangelegd, compleet met huizen die typisch zijn voor lidstaten van de EU. En vijftig kilometer oostelijker, in het gehucht Bela, vraagt de burgemeester ook al om Brussels geld. Een afgetakeld adellijk landhuis – in de communistische tijd een groentenconservenfabriek en een politieke arbeidersgevangenis - is door de vooroorlogse bezitters, een joodse bankiersfamilie uit Boedapest, teruggekocht met de bedoeling er een wijnboerderij annex kasteelhotel van te maken.

Aan de restauratie werken vijftig dorpelingen mee, en straks zal heel Bela er een baan hebben. In de Oostenrijks-Hongaarse tijd werkte ook iedereen op het landgoed. Soms draait de Donau de klok honderd jaar terug, om ruimte te maken voor vooruitgang.

Met haar weilanden, loze strandjes en wilde bossages kent de Slowaakse oever nog niet de franje van het koopkrachtige massatoerisme, maar lang zal dat niet meer duren. Het zelfgebouwde hotel ('het is te koop') van de Duitser Alfred Senne aan de weg naar het havenstadje Sturovo krijgt nog voornamelijk zakenlieden te logeren die bij de papierfabriek van het Nederlandse concern Kappa moeten zijn. In Sturovo zwemt niemand in de Donau. Het stoffige oord, populair bij Slowaakse vakantiegangers uit het noordelijke Tartargebergte, heeft als topattractie een overbevolkt badderparadijs in de stad. Hoe anders is de rivier aan de Hongaarse oever: een commercieel gestileerde stroom, een onuitputtelijke geldkraan die honderdduizenden Hongaren van een boterham voorziet.

Voorbij het reusachtige bisschoppelijke paleis van Esztergom - bereikbaar met een pontje, maar binnenkort is de brug hersteld – wringt de rivier zich in de beroemde 'Donauknie' naar het zuiden.

Luxe speedboten en waterskiërs crossen in het rond, campings en kleine jachthavens zijn aangelegd. Langs de ontelbare uitspanningen, grillrestaurants en cocktailbars aan de oevers lopen verhoogde boulevards voor de wandelaars. Tot en met Boedapest zijn toeristen uit de Europese Unie dol op Hongarije. Als regionale economische supermacht biedt het de sensatie van het exotische, maar met het vereiste comfort.

STATUSWET

Toen de ex-communisten in 1994 de verkiezingen wonnen, vertrok Andrea Simon naar Cyprus. Uit pure woede. 'Aan die idioten wilde ik geen belasting betalen,' zegt de uitbaatster van een pension in Szentendre, een eertijdse koopmansstad, nu een toeristisch openluchtmuseum. Pas vier jaar later, na de overwinning van de conservatief Viktor Orban, de huidige premier, kwam Simon terug. Orbans omstreden ‘Statuswet', die de Hongaren in het omringende buitenland allerlei rechten in hun moederland geeft, ziet ze als een eerste afrekening met het grote onrecht van Trianon. In dat kasteeltje in Versailles moest Hongarije als verliezer van de Eerste Wereldoorlog in 1920 een verdrag tekenen waardoor het bijna driekwart van zijn grondgebied verloor. 'Voor het eerstin tachtig jaar doet een Hongaar iets voor ons volk over de grens,' zegt Simon.

Ze is selfmade, conservatief, nationalistisch en fel tegen de Europese Unie. 'Rijken worden te groot en vallen uit elkaar, dat bewijst de geschiedenis,' zegt ze. 'Europa is kleurrijk en verschillend, laat het zo blijven. Veel Hongaren denken dat alles goud en marmer wordt en dat ze allemaal een zomerhuisje zullen hebben aan het Balatonmeer. Maar wie hard werkt en creatief is, heeft de EU niet nodig. De voorstanders hebben heimwee naar de goedkope worstjes die in ons zogenoemde goulashcommunisme werden uitgedeeld op 1 mei.'

ISTVAN SZECHENYI

Drie keer per dag vaart de kleine 'Legenda' toeristen van Szentendre naar Boedapest. Een rivierbriesje blaast koelte in de boot. 'Als ik de Donau zie, weet ik dat ik altijd de weg naar mijn land en mijn huis zal terugvinden,' had Andrea Simon gezegd. Hongaren, met hun eigen etnische achtergrond en taal, voelen zich snel eenzaam in de Duits-Slavisch-Latijnse zee van Midden-Europa. Het maakt hen soms achterdochtig en erg trots op de eigen geschiedenis.

Iedere Hongaar kent de nationale held István Széchenyi, de graaf die er onder andere voor zorgde dat in 1831 het eerste stoomschip op de Hongaarse Duna (Donau) voer. Széchenyi had goede contacten in Wenen, maar met de groei van de Hongaarse afscheidingsbeweging - in 1849 de kop ingedrukt - raakte de visionaire graaf in ongenade. De Ausgleich, het compromis tussen Wenen en Boedapest (1867) dat Hongarije meer rechten gaf, maakte hij niet meer mee. Met de Europese Unie is Hongarije ook een - onuitgesproken - compromis aangegaan. Europa investeert massaal in de modernisering van het land, mits dat de nationale kwestie niet op de spits drijft.

Dat alles is, koersend op een donderdagse Donau, in de binnenstad van Boedapest niet te zien. Het zilvergrijze lint onder de bruggen hoort even vanzelfsprekend bij het majestueuze parlement aan de oostoever als honderd jaar geleden. Op de riviereilanden liggen Boedapestse meisjes in feloranje bikini's bruin te branden. Wie de zin van de EU-uitbreiding wil zien, moet naar de arbeiders. Naar de buitenwijken, de grauwe flats van Bekasmegyer, Ujpest en Ujpalota, waar de werkers verwachten dat de Unie hun aftandse Polski Fiat, Skoda, Lada, Trabant, Wartburg of Dacia binnenkort zal omtoveren in een niet al te oude Volkswagen Golf of Opel Astra.

Diezelfde arbeiders hebbende standbeelden uit de communistische tijd van hun sokkels op het Heldenplein getild en verbannen naar het Szoborpark, ten zuidwesten van de stad. De symbolen van die andere economische gemeenschap waar Hongarije toe behoorde, staan in een 'communistenmuseum' op een kale heuvel met een kassa. In een hoge roodbakstenen facade staan Marx, Engels en Lenin. Daarachter enorme arbeiders en enorme soldaten. Een winkeltje verkoopt cd' s met socialistische muziek, medailles voor arbeiders en T-shirts waarop Breznjev en Honecker elkaar kussen.

De beelden betekenen alleen iets voor Hongaren die zich herinneren dat er voor iedereen werk was, waarvan je geen burn-out kreeg, en dat de maffia de stad nog niet controleerde. ‘Mijn ouders hadden een redelijk leven,’ zegt de taxichauffeur. Aansluiting bij de Europese Unie betekent voor veel Hongaren een beter leven, en voor sommigen de terugkeer van een verloren land van melk en honing.

GEWEERSCHOT

Tijd om voor één dag de Donau te verlaten. De doorsteek naar Roemenië voert over de B5 naar Szeged, een drukke transitroute voor stinkende vrachtwagens die aan geen enkele uitstootnorm voldoen. Op de eindeloze poesta trillen de elektriciteitspalen in de zon. Hier gaat het leven traag en 'vliegen de jaren heen als een zwerm vogels na een geweerschot', zoals de Hongaarse dichter Sandor Petöfi schreef. Zonder de rivier lijken de mensen droger, en Europa verder weg.

De Unie is er nog mondjesmaat: de Roemeense grenspost Nadlac is verbeterd met Europees geld, net als de doorgaande wegen van Transsylvanië, voormalig Oostenrijks-Hongaars gebied. Ten zuiden van Timisoara verdwijnen de blauwe bordjes met de gele sterren. Tanige mannen met stokken sjokken achter kuddes magere koeien in dorpjes met karrensporen en één verharde weg. In de bermen letten gerimpelde vrouwtjes op de ganzen.

Na de 549 meter hoge berg Locvei is daar de Donau weer, glijdend uit een bocht, traag en haast zo breed als de Amerikaanse Mississippi. Moldova Noua, 'Nieuw Moldavië', is een vlek vol werkloze mijnwerkers, straathonden en steekmuggen. Het ligt vergeten aan lage weilandjes die in het water wegzakken. Joegoslavië ligt aan de overkant. Toeristen mijden de streek. Gaten in de weg. Lekke banden en geen comfort.

Roemenië is een reusachtig land met 22 miljoen straatarme inwoners; het is pas ergens na 2007 aan de beurt om lid van de Europese Unie te worden. Hier aan de Donau bij het stuwmeer van de 'IJzeren Poort' laten de Brusselse geldschieters het afweten. 'Hulp bij het opzetten van een traditionele pottenbakkerij, promotie van kleine pensions, en een managementcursus voor bestuurders,' somt ambtenaar Sonia Dragilescu van de gemeente Turnu Severin droog de Europese initiatiefjes op.

Oostelijk van Orsova, het dorp dat in de jaren zestig in het meer verdronk en op een helling opnieuw is gebouwd, wijst de gepensioneerde bosarbeider Petre Busuioc (81) met zijn stok naar een onder water gelopen dal. 'Daar moeten nog oude grensstenen op de bodem staan.' Hij klimt op een rots om het patrouillepad van het keizerlijke leger te laten zien. Van de EU, toch een soort Oostenrijk-Hongarije, heeft hij gehoord. 'We zullen zien wat er van komt.' Net buiten Habsburgs gebied ligt de stad Turnu Severin, de 'toren van (de Romeinse keizer) Severus'. Het is de plek waar de Romeinen een brug over de Donau bouwden, zodat ze de briljante Dacische hoofdman Decebalus konden verslaan. In een rots laat een Roemeen uit Italië het hoofd van deze nationale held uithouwen. Turnu Severin is een curieus samenspel van barokke facades, betonnen neoclassicistische monsters en verkoelende parken. Het heeft behalve een Decebalusstandbeeld en een Decebalusstraat ook een Decebalussupermarkt.

NOORDZEE

Rederij 'Driobeta' in Turnu Severin haalt graan uit Hongarije en brengt kunstmest naar Oostenrijk. In het kantoor hangt een kaart met alle rivierhavens aan de Donau en de Rijn. 'Als we lid worden van de Europese Unie, kan onze firma gemakkelijker nieuwe contacten leggen,' zegt vrachtplanner Valeriu Ciobanu. Hij wijst op de kaart. 'We willen de Noordzee bereiken,' zegt hij.

Olievaten en plastic flessen botsen tegen de kade, waar zigeuners hun kleren te drogen hebben gehangen. Vergeleken met het drukke verkeer op de 'hoofdstraat van Europa' in Hongarije lijkt Roemenië soms eerder een doodlopende steeg. Maar Ciobanu en zijn rederij hebben iets om naar uit te kijken. Duitse marken en euro's stromen naar het oosten, talrijker nog dan destijds Oostenrijks-Hongaarse ambtenaren, en steeds meer geld en goede bedoelingen zullen ook in Roemenië aanspoelen. Een licht naïef geloof zweeft boven de Donau: dat de Unie, volgens het woord van de Bijbel, alles nieuw zal maken.

Hotel Parc Continental kijkt uit over de rivier. Een visser in een bootje repareert zijn netten. De grote stroom glijdt nog 700 kilometer door, tot in de Zwarte Zee. Door het open raam komen het geroezemoes van stemmen op straat, het gekletter van de hotelfontein, ver geblaf van honden en het toeteren van de nachttrein naar Timisoara.