vrijdag 1 februari 2013

Contrabas-uitgever Chrétien Breukers spreekt:

Natuurlijk leerde ik de Friese poëzie kennen via bloemlezingen. De Spiegel, de keuze uit het werk van Postma... het waren boeken die ik als poëzieliefhebber had gelezen, ergens in het midden van de jaren negentig (van de vorige eeuw).

De echte vonk sprong echter pas over na het verschijnen van Droom in blauwe regenjas/Dream yn blauwe reinjas, waarin Tsead Bruinja en Hein Jaap Hilarides hun (tweetalige) keuze uit de hedendaagse Friese poëzie presenteerden.

Het lezen van deze bloemlezing gaf mij een licht gevoel van verliefdheid. Op de taal, op veel van het gepresenteerde werk, op de poëzie die daar boven de bladzijden hing. Hoewel de Friezen in Nederland wonen, kreeg ik het idee dat er een heel nieuwe wereld voor me werd ontsloten, een wereld die ik voorheen wel vermoedde, maar niet wist te liggen.

Sinds 2004, het jaar van verschijnen van de Droom, probeer ik bij te houden wat er in de Friese poëzie gebeurt. En in 2006 heb ik zelfs, voor uitgeverij BnM, vier tweetalige bundels mogen begeleiden, uitgaven van Elmar Kuiper, Jabik Veenbaas, Abe de Vries en Cornelis van der Wal. Met de twee uitgaven die vandaag verschijnen, bij mijn eigen uitgeverij, neem ik de draad - in samenwerking met Hotsum - weer op.

De taal is gansch het volk, zeiden de eerste Vlaams-nationalisten. Het is een kreet die tegenwoordig niet meer los kan worden gezien van rechts-nationalistische tendensen, maar als uitspraak klopt het wel.

De Friese taal is, net als het Nederlands voor de Vlamingen, meer dan alleen maar een taal. De onderlinge verbondenheid die de taal tot uitdrukking moet brengen, is waarschijnlijk grotendeels fictief - en toch maakt de eenheidstaal een gezamenlijke literatuur mogelijk. Een jaloersmakend gegeven, zeker voor iemand die uit een provincie (Limburg) komt, waar elk dorp zijn eigen dialect heeft (en er dus ook geen gezamenlijke literatuur is).

Vandaag houden we twee boeken van twee Friese dichters boven het doopvont. Omdat Hotsum en De Contrabas de poëzie niet alleen willen voorbehouden aan het Friese lezerspubliek, is er gekozen voor een tweetalige editie. Ik wéét dat het werk van De Groot en De Vries een breed publiek kunnen aanspreken.

De lyrische poëzie van De Vries en de in een bedrieglijk parlando opgestelde, indringende verzen van De Groot misstaan in geen enkele zichzelf respecterende poëziebibliotheek, naast het werk van Tonnus Oosterhoff en Esther Jansma (om maar eens twee willekeurige namen te noemen).

Hoewel: waar staan die poëziebibliotheken? Wie kóópt al die bundels eigenlijk nog? Het is een communis opinio dat de poëzie in crisis verkeert, en de verkoop van bundels stort vrijwel helemaal in. Op woensdag 30 januari werd bekend gemaakt dat de verkoop van poëziebundels in Vlaanderen sinds 2007 met vijftig procent is gekelderd. De gemiddelde bundel (van de zo ongeveer 100 verschijnende bundels) zet 200 exemplaren weg...

Daar wilde ik mij echter liever niets van aantrekken. Integendeel. Ik ben er van overtuigd dat, juist door het uitgeven van niet-courante artikelen, op den duur een markt gaat ontstaan vóór die artikelen. Dat is een optimistisch, misschien naïef standpunt, en het vereist de medewerking van de boekhandel (die er bijna niet meer is) en van een trouw lezerspubliek (dat soms ligt te snurken).

Gerrit Komrij schreef ooit: ‘Neem me de poëzie af / En ik ben een brieven- besteller / Een defecte toerenteller / Een man zonder toverstaf ’ - en het lijkt er meer en meer op dat ‘het grote publiek’ zich daar bij heeft neergelegd, net als veel mensen uit ‘het vak’, uitgevers, recensenten en kopers voorop. Dat gaat in tegen de geest van verzet die uit poëzie spreekt; poëzie is tegen beter weten in te hoop, desnoods richting het niets of rechtstreeks richting de dood.

Daarom wil ik graag eindigen met dit citaat:

Voordat morgenvroeg de zon komt en mij brandt
weer met een koudvuur dat ik niet verteren kan,
schrijf ik in het eilandzand mijn doopnaam
nog één keer als de dichter van het postscriptum.

Ik dank u voor uw aandacht.


(Speech van Chrétien Breukers, uitgesproken door Abe de Vries bij de presentatie van Ravensulver/Ravenzilver en In hazze is in lokkich bern/Een haas is een gelukkig kind, Tresoar, 31 januari 2013)

1 opmerking:

  1. As, t it sa lêst is it wat minder nysgjirrich. Doe asto it útspriekst wie it moaier, Abe.

    BeantwoordenVerwijderen