dinsdag 31 juli 2018

Anders Minnes Wybenga (1881-1948) - It lân om

De frisse wyn strykt wer oer 't fjild,
Fan profesijen fol:
De greiden lizze ljocht en grien,
De bou wurdt wyt en krol.

En by it lingjen fan de dei
Mei ljochte simmerskyn
Seit nou de boer, sjocht hy op 't lân:
,,De ploege moat der yn."

De hynders komme fan 'e stâl,
Wat stean har noasters wiid!
Wat stean hja trapkjend op it hiem:
Dit is de nije tiid.

Sa stekt de ploechfeint der op út,
Nou giet it nei it lân
En giet it rêd, de jaling rêst
Wol yn in fêste hân.

Dêr stiet er al op 'e ekersein,
Sjocht efkes yn 'e wyn.
Dan mei in ,,fuort", ,,tebek" en ,,ho"
Slacht hy de hynders yn.

Hoe gouden is de sinneskyn,
Hoe koel en klear de loft!
Hoe giet it al mar op en del,
In moaie lange skoft.

Wat spant de spier, wat set dy poat,
Hoe stevich stapt it span.
Hoe fielt it him fol krêft en kriich:
Hoe fleurich is de man!

Hoe lûkt it hynder oan de string,
Dy't him as getten sit;
Hoe slacht de damp him fan 'e lea,
Wat blinkt dat waarme swit!

En mei de ploegesturten beet
En mei syn ,,boei" en ,,hâld"
Bestjoert de ploeger sterk en kras
Syn hynders op syn wrâld.

En 't is mei nocht as hy op 'e ein
Syn spoar en stryk besjocht;
De ekers lizze rûn en fol,
De fuorgen rinne rjocht.

En as de klok seis oere let
En 't span it oerjaan moat,
Dan rêst it maklik, want der is
In hiele lape swart.


(Oernaam út: P. Terpstra, Fryske folksdichters. In karlêzing út har wurk. Mei in ynlieding en libbenssketsen (Fa. A.J. Osinga, Boalsert 1945))

maandag 30 juli 2018

Waling Dykstra's ûnbekende tekst oer it Winterjounenocht yn it Algemeen Handelsblad

Wat ik net wist, is dat Waling Dykstra yn de jierren 1883-1884 op útnoeging fan de redaksje in fjirtjintal Nederlânsktalige teksten publisearre hat yn it Algemeen Handelsblad. Yn fjouwer dêrfan jout er (yn 1883) syn oantinkens oan it Winterjounenocht. It giet dêrby om sa likernôch deselde tekst as it trije jier letter yn it Frysk ferskynde, bekende stik 'Tobek-sjen op 't oulein paed' út de bondel Wintergrien (1886), mar der binne opfallende ôfwikingen. Sa te sjen koe Sytse Jan van der Molen dizze tekst net doe't er oan syn prachtige Winterjounenocht-boek wurke. Ik jou hjir de tekst út it AH, mei yn fet oanjûn de parten dy't net foarkomme yn de Fryske fersy. 

UIT FRIESLAND 
FRYSKE WINTERJOUNE-NOCHT 
DOOR WALING DIJKSTRA 


Onder de vele dingen die mogelijk en uitvoerbaar werden gemaakt door kunstwegen, verbeterde reisgelegenheden en verbeterde verlichting, behoort ook het „Fryske Winterjoune-Nocht”— „Winteravondgenot” is, geloof ik, hiervan de beste vertaling. Nocht is het Friesche woord voor het oud-Hollandsche geneught
Het was in het begin van 1860, toen vriend T.G. v.d. Meulen en ik op het denkbeeld kwamen om in het winterseizoen voor onze gewestgenooten openlijke voordrachten te houden in de Friesche taal. Aanleiding om op dat denkbeeld te komen, hadden wij genoeg. Immers wij beiden werden nu hier dan daar uitgenoodigd om op te treden in eene Nutsvergadering of dergelijke bijeenkomst. Niet altijd behoefden we daar de lezing te hebben, zooals men ’t noemt, we konden ook soms wel volstaan met een paar bijdragen, te geven nadat de redenaar had uitgesproken. Maar ’t moest altijd Friesch zijn, wij wisten het, dit verwachtten de hoorders van ons, en wij hadden het genoegen daarmee bijval te kunnen inoogsten. Op het Friesch legden wij ons toe; in de Hollandsche welsprekendheid knap te worden, daarvan maakten we geen werk. Aan Nutsredenaars in ’t Hollandsch bestond toen nog geen behoefte. Het was in dien tijd, dat in de meeste plaatsen van eenige beteekenis rederijkerskamers werden opgericht; ten gevolge daarvan was het aantal knappe sprekers en voordragers in ’t Hollandsch spoedig legio. Dus als ’t daarop aankwam, konden de lui meest overal wel in eigen behoefte voorzien en hadden ze niet noodig een onzer uren ver te laten overkomen. Voor ’t Friesch kwamen wij in trek. 
Dit was het nu wat ons deed besluiten om gezamenlijk het werk te ondernemen en te beproeven de zaak in het groot door te zetten, om het zoo maar eens te noemen. De zomer diende om niet alleen de veldvruchten maar ook ons plan te doen ontwikkelen en rijpen. Er kwam een programma gereed van voor te dragen stukken, die onszelven bijzonder wel aanstonden. Dit was alvast een goed begin. ’t Waren voordrachten in rijm en onrijm, voor één en voor twee personen. Omdat het kind nu ook een naam moest hebben, doopten wij ons werk: „Fryske Winterjoune-Nocht”. 
Nu was de vraag: hoe een begin te maken? Ons aan te bieden in breedsprakige advertentiën, was iets wat ons niet wilde bevallen. Maar we hadden hier en daar in Friesland nog wel een vriend of kennis. Deze maakten wij met ons plan bekend, en dit bleef niet zonder gevolg. De eerste aanvraag kregen wij uit Heerenveen. Daar openden wij de rij onzer winteravonden in October 1860. Deze eerste proefneming slaagde naar wensch; wat zeg ik? boven verwachting! We stonden daar voor een groote schaar van welwillende toehoorders, die na afloop van ons werk opgetogen waren van hetgeen ze hadden gehoord. Behoef ik te zeggen, dat wij zelf ook opgewonden waren? Wij begaven ons wel ter rust, maar ik kon den geheelen nacht geen slaap krijgen. ’k Herinner mij nog levendig, dat de conducteur der diligence, die in ’t holle van den nacht daar passeerde, de wijs van Henri’s Drinklied op zijn hoorn blies. 
Nu, van dat allereerste Winterjoune Nocht ging een gerucht uit over geheel Friesland en onze onderneming kon als geslaagd worden beschouwd. Al spoedig kregen we aanvraag op aanvraag. Den eersten winter ontving men ons reeds op vele plaatsen, den tweeden ging het nog drukker, en den derden vooral niet minder druk. De bijval, die ons werk van ’t begin af was ten deel gevallen, nam niet af. 
Maar in den loop van den daarop volgenden zomer gelukte ’t vriend V.d. Meulen een rijksbetrekking te bemachtigen, die hem noodzaakte alle dagen tehuis te blijven. Althans, het ging nu voor hem volstrekt niet aan, dagen achtereen afwezig te zijn, en dan elke week alweer op nieuw. En dat moesten we gedurende den geheelen winter. Wilde ik dus het werk op denzelfden voet voortzetten, dan had ik om te zien naar een nieuwen metgezel. Het was mijn vriend G. Colmjon, die zich op mijn aanzoek dadelijk bereid verklaarde om mij thans ter zijde te staan. Gedurende zes winters bereisde hij met mij de provincie. Toen benoemden onze Provinciale Staten hem tot archivaris en bibliothecaris van Friesland, eene betrekking die ook hem noodzaakte van het reizen af te zien. Zoo ontviel mij de een na den ander, en ik bleef telkens alleen staan. Nu werd A. Boonemmer mijn medewerker, en nadat deze mij eveneens gedurende zes winters had vergezeld, kwam ik tot het besluit om maar eens alleen de zaak voort te zetten, wat ik tot nu toe heb volgehouden. Dat besluit was wel wat gewaagd, want juist onze dialogen werden meestal gaarne gehoord. Wanneer wij tegenover elkander stonden als twee die ’t op verre na niet eens waren, en elkander harde waarheden zeiden, waarbij als terloops allerlei maatschappelijke gebreken van rechts en links kregen, dat was iets wat gewoonlijk zeer in den smaak viel van ons publiek. Toch ging het met mijn werk alleen ook al weer boven verwachting goed. 
Toen wij de zaak begonnen, waren de beoefenaars en vrienden der Friesche taal wel met onze onderneming ingenomen. Zij zagen daarin een uitstekend middel om de liefde voor onze oude volkstaal bij de Friezen wakker te schudden, aan te moedigen en levendig te houden. Maar zij zeiden toch ook: „Drie, vier, misschien vijf of zes jaar zullen die twee mannen dat werk wellicht kunnen volhouden, maar daarmee zal ’t dan ook gedaan zijn.” Wij zelven waagden ’t ook niet te verwachten, dat het zoo maar jaren aaneen zou kunnen duren, zoolang wij het goedvonden of het ons voegde. Toch is het tot nu toe blijven bestaan en geen enkelen winter gestaakt. Maar ’t heeft in al die jaren niet immer mooi weer en voor den wind gehad. Moesten wij zelf dikwijls zwalken door regen en wind, koude en sneeuw, zelfs in den nacht soms, — ook ons werk ondervond tegenspoeden en had tegenover zeer vele vrienden ook zijne vijanden, onder de menschen en in de natuur beide. 
De eerste en grootste vijand van het Winterjoune-Nocht is de winter zelf, wanneer hij namelijk bruikbaar ijs geeft. Dan gaan de menschen dag aan dag ijstochtjes maken en zijn bij de tehuiskomst veel te vermoeid of gevoelen zich ongeschikt, om ’s avonds uit te gaan. Het jongvolk gaat uit op allerlei ijsvermaak en keert ’s avonds niet vroeg huiswaarts; de ouderen moeten dan bij honk blijven. Er is dan alle dagen door geheel Friesland zooveel drukte en beweging, dat de meeste menschen er niet voor gestemd zijn, om ’s avonds naar eene plaats te gaan, waar ze twee, drie uren stil moeten zitten naar mondelinge voordrachten te luisteren. Velen zouden daarbij, na een dag van inspanning in de buitenlucht, in slaap vallen. Laat het ijsvermaak slechts eene week duren en dan voorgoed afgeloopen zijn. Men zou denken dat het dan voor andere uitspanningen niet zoo heel nadeelig kan zijn. Het tegendeel is echter dikwijls waar. Dan zijn de beurzen plat, zegt men. Dit moge bij velen het geval zijn, vele anderen hebben daarvan geen hinder. Maar wanneer men in zoo korten tijd allerlei reisjes heeft gemaakt, afgewisseld door bezoeken van verre familie of vrienden, dan neemt men liever eenigen tijd rust in eigen woning, dan dadelijk maar weer naar avondpretjes te gaan. 
Ik hoorde eens vertellen, dat een bekwaam maar arm violist, die ’t land doorreisde om spelende langs de huizen zijn brood te verdienen, op zekeren tijd in een zeedorp kwam. Hij liet daar op straat zijne muziek hooren en zag zich spoedig omringd door een groot aantal toehoorders. Maar terwijl hij bezig was met het spelen van een mooi stuk, dat vrij zeker niemand aangenamer aandeed dan hemzelven, werd aan het andere einde van ’t dorp geroepen: „Er is visch aan den markt!” Dadelijk verlieten allen den muzikant en liepen haastig naar de vischmarkt. Neen, niet allen; een oud man bleef staan, met den rug tegen een boom geleund. Het deed den speelman goed, dat er toch nog een enkele in het dorp was, die gevoel voor schoone muziek scheen te hebben, en dit geloof spoorde hem aan om het stuk ten einde toe zoo keurig mogelijk te spelen. Toen ’t uit was, dacht hij met den kunstlievenden grijsaard een gesprek aan te knoopen. Maar deze keek om zich heen en vroeg: „Is er visch aan de markt?" De speelman knikte toestemmend. „Och kom! daar heb ik niets van vernomen,” zei de oude. „Je moet weten, vriend, ik ben erg doof.” En ook hij begaf zich naar de vischmarkt. 
Ongeveer hetzelfde ondervonden wij nu en dan in winters met mooi ijs. Hiermede wil ik niet gezegd hebben, dat bij ’t meerendeel onzer bezoekers de belangstelling in ons werk gelijk zou staan met die der zeedorpelingen in verdienstelijk vioolspel, — maar alleen, dat bij de meeste Friezen ijsvermaak voor alles gaat. 
Maar al komt er gedurende den geheelen winter geen ijsvermaak, dan kan nog wel door allerlei omstandigheden een publieke avond-bijeenkomst bedorven worden. Het kan onstuimig en regenachtig weer zijn, gepaard met dikke duisternis, of zoo glad en ijzig op den weg, dat een mensch zijne beenen niet onder ’t lijf kan houden. Er kan een dikke laag sneeuw liggen, of ’t water zoo hoog zijn en de voetpaden zoo modderig, dat van den hoofdweg afwonende landlieden ’t niet raadzaam achten bij avond van huis te gaan. Dit zijn alle dingen die in den winter niet tot de zeldzaamhedeu behooren. ’t Is ook gebeurd, dat er, terwijl wij druk aan de praat waren, brand in het dorp kwam, op ’t geroep waarvan opeens de zaal ledig liep. Meer dan eens is het voorgevallen, dat ons bij onze komst in een dorp werd medegedeeld: voor eenige dagen is hier een lid eener hier sterk vertegenwoordigde aanzienlijke boerenfamilie overleden. ’t Gevolg daarvan is gemakkelijk te raden. Des avonds weinig of geen publiek. Want bijna het geheele dorp staat met zulk eene familie op de eene of andere wijze in betrekking. Niet zelden ontstaat er in een dorp eene openbare twist, die de ingezetenen in twee partijen verdeelt, hetzij over ’t dominéstemmen, het bouwen eener openbare school of zoo iets. Raadsleden, kerkvoogden, kerkeraden en notabelen zijn daarin betrokken, en ieder krijgt zijn aanhang. Waar de zaken zóó staan, heeft eene publieke avonduitspanning niet veel kans van slagen; want deze blijft ervandaan omdat hij denkt dat die er misschien zal komen, en men wil elkander niet zien, nog veel minder ontmoeten. Nog meer omstandigheden zouden er op te noemen zijn, die de zaak kunnen benadeelen. Zelfs hebben we ’t moeten ondervinden, dat zekere heeren, die schenen te meenen, dat wij in hunne duiven kwamen schieten, in hunne openbare toespraken tegen ons opkwamen en het volk afkeerig van ons zochten te maken. Dit kon ons voor ’t oogenblik wel nadeel doen, maar op den duur werkte ’t ook wel voordeelig. En ik schroom niet te erkennen, dat het ons eergevoel wel een weinig streelde, als wij vernamen, dat zulke heeren ons vreesden. 
Bij ons optreden stelden wij ons voor, dat wij ’t meest zouden worden uitgenoodigd op Nutsvergaderingen, sociëteiten en dergelijke bijeenkomsten. Immers, dit waren we reeds gewoon. Maar ’t kwam spoedig zoover, dat wij de meeste aanvragen kregen juist uit plaatsen waar men geen Nut of Sociëteit of zoo iets had. Eenige belangstellenden spanden dan gewoonlijk met den koffiehuishouder samen, ten einde de zaak in zoover te bevorderen dat men voor de opkomst van een voldoend aantal toehoorders behoorlijk gewaarborgd was, wanneer men ons uitnoodigde om over te komen.

II 
Ik neem de vrijheid den lezer te verzoeken zich eens een dorpje voor te stellen in een achterafhoek der provincie. De menschen leven er daar nog altijd heen, evenals pake en beppe (grootvader en grootmoeder) steeds geleefd hebben. Neen, toch niet volkomen gelijk. De nieuwigheden van onzen tijd oefenen ook daar invloed op de leefwijze en de menschen, althans sommigen uit het dorp, komen nu hier en daar, waar pake en beppe nimmer kwamen en krijgen iets te zien waarvan de grootouders nooit geweten hebben, dat het bestond. Nu is er voor een jaar een nieuwe onderwijzer in het dorp gekomen, en een paar maanden later een nieuwe dominé. Deze heeren meenen op te merken, dat velen onder de dorpelingen niet misdeeld zijn van natuurlijk verstand. Maar er wordt niet veel gelezen. Ja, de Leeuwarder Courant wordt elken dag met belangstelling ter hand genomen, niet alleen door het hoofd des gezins, maar ook door vrouw en kinderen, zelfs door schoolkinderen, die pas kunnen lezen. Maar dat is voor de meesten ook alles. Dominé en meester zijn het spoedig met elkander eens: de menschen moeten daar iets hebben voor het verstand en den geest. Er worden pogingen aangewend om een leesgezelschap op te richten, waarbij de heeren verstandig genoeg zijn, int oog te houden, dat het niet veel moet kosten. Dit vindt weldra voldoenden bijval en ’t komt aan den gang. Er worden boeken aan de leden rondgezonden. Ook gelezen? Bij velen wel en ook met genoegen; bij sommigen worden ze even ingekeken en dan terzijde gelegd met een gemelijk: ,,’k Weet niet, die boeken is voor ons niet véél aardigheid aan, geloof ik.” Men houdt het boek eene week in huis en bezorgt het dan, zonder ’t gelezen te hebben, bij een ander. Toch wil men fatsoenshalve niet voor ’t lidmaatschap bedanken. Dominé zou dat afkeuren, dit ziet men in, en ’t staat ook wel gekleed, als er eens iemand in huis komt, een boek op tafel of de vensterbank te hebben liggen, waar van buiten op staat: „Leesgezelschap.” 
Als het leesgezelschap een jaar heeft geduurd moet er afrekening worden gehouden, natuurlijk in den wintertijd, anders hebben de lui er geen tijd voor. Waar zal men dit nu anders hebben dan in de dorpsherberg? De kamer van den kastelein is ruim genoeg, om een dertigtal personen te bergen, en dit is meer dan voldoende. Desnoods zouden er ook veertig, misschien nog meer geplaatst kunnen worden, maar dit is vooreerst niet noodig. Nu weten voorzitter en secretaris wel, dat de meeste boeren geen wijn lusten, eenvoudig omdat ze ’t wijndrinken niet hebben geleerd, en aan ’t jeneverdrinken zijn velen gelukkig, ook niet genoeg gewoon om het daarmee een geheelen avond te kunnen volhouden. Daarom wordt de vergadering geopend met koffiedrinken, waarbij een dik rood klontje en een flink stuk fijne honigkoek niet mag vergeten worden, even zoomin de lange Goudsche pijp. Is het koffiedrinken afgeloopen, dan wordt aan ieder de vrijheid gelaten, te drinken wat hij verkiest. De boekenafrekening vordert niet veel tijd en is vroeger afgeloopen dan men aan naarhuisgaan begint te denken. Welnu dominé gaat opstaan en verrast de vergadering door bekend te maken, dat hij een stukje zal voordragen, waarvoor hij aandacht verzoekt. Hij komt voor den dag met Bellamy’s Roosje, Tollens Echtscheiding, Ter Haar’s Huibert en Klaartje, De Bull’s Ledige Stoel, of zoo iets. En dit bevalt bijzonder. Meester heeft ook nog eene kleine bijdrage. Die is wat grappiger en bevalt ook uitstekend. En als eindelijk het gezelschap gereed is om te scheiden, is de eenparige verklaring: „Dit is toch een alleraardigste avond geweest; zoo moesten we eens vaker bij elkaar komen.” 
„Ja zeker! Welnu, waarom niet?” 
En dan wordt daar nog voor men uiteengaat, reeds vastgesteld, dat men twee, driemaal in den winter op dezelfde manier bijeen zal komen, en dan moeten er ook vrouwen bij. Ja, dat loopt van stapel en het gezelschap krijgt den naam van Vriendenkring, — Nut en Genoegen of zoo iets. 
Sommige vrouwtjes, die reeds op jaren beginnen te komen, zijn in den beginne niet te bewegen om een gezelschap, dat in de herberg gehouden wordt, te komen bijwonen. Getrouwde vrouwen in de herberg! dit vinden ze al te buitensporig. Maar als ze dan vrouwen, die er geweest zijn, hooren vertellen, dat daar niets onbehoorlijks gebeurt en men er heel veel genoegen kan hebben, dan laten ook de afkeerigen zich overhalen om mee te gaan, — en het gezelschap komt in vollen bloei. 
Dominé en meester moeten maar altijd stukjes voordragen. Zij hebben voorraad genoeg, maar beginnen toch wel eens te zeggen: „Het is eigenlijk op den duur niet goed, dat altijd dezelfde personen als sprekers optreden, anderen moesten ook iets doen.” De meesten zwijgen hierop en enkelen zeggen: „Dat is ons werk niet, daarvoor hebben wij te weinig geleerd.” — Toch komt het zoo ver, dat een of twee het wagen eens een stukje in ’t Friesch voor te dragen. Dit is nu weer iets wat men niet eerder gehad heeft en wordt ook met algemeenen bijval bekroond. Anderen hierdoor aangemoedigd, treden later op. Zoo komt er afwisseling genoeg en de bijeenkomsten worden steeds druk bezocht. 
Drie, vier winters, vijf misschien, kan dit duren, dan begint men verflauwing in de belangstelling op te merken. De opkomst ter vergadering neemt zachtjes aan in talrijkheid af. Dominé en meester zeggen: „Het wordt weer te eentonig. Willen we onzen Vriendenkring niet aan de tering laten sterven, dan dienen we te denken aan een middel om een nieuw leven in de brouwerij te krijgen.” — En nu komt men op het denkbeeld: „We moesten ’t Fryske Winterjoune-Nocht hier eens hebben." — Dat wordt algemeen goedgekeurd en de zaak komt klaar. Om eenige vergoeding te krijgen voor de kosten die men heeft te maken, zullen ook niet-leden voor dien enkelen avond worden toegelaten tegen entree. En als de bepaalde avond daar is, komen de belangstellenden er zóó menigvuldig op af, dat des kasteleins kamer waarlijk veel te klein is. De bezoekers moeten er zoo al niet in gestampt, dan toch in gedrongen en geduwd worden, en de twee sprekers hebben zich te behelpen op eene enge ruimte die hun slechts weinig beweging veroorlooft. Te veel gesticulatie zoude hunne handen, tegen hunnen wil, in aanraking kunnen brengen met de hoofden der naastbijzittenden. De kastelein denkt bij zichzelven: „’t Is toch jammer, dat ik geen ruimer vertrek heb, daar heb ik thans schade van.” En zoo is het ook. De man kan met den besten wil de menschen niet naar behooren bedienen. ’t Geeft in de pauze een geroep van belang, om dit en om dat, maar een groot deel krijgen niet wat zij verlangen, omdat zij voor den kastelein en zijne bedienden letterlijk onbereikbaar zijn, en velen ook denken: „’t Is hier onmogelijk op eene fatsoenlijke manier iets te gebruiken, wij gebruiken maar liever niets.” 
Des anderen daags kijkt de hospes eens in zijne nog zeer ontredderde tapkamer rond en zegt tegen zijne vrouw: „Als ik die twee bedsteden laatwegsloopen, ook dien grooten ouden schoorsteen, en ik laat dezen gangmuur afbreken, dan kan dit vertrek bijna eens zoo groot worden als ’t nu is, en dan kunnen we ook een biljarttafel hebben.” De vrouw vindt dit denkbeeld zeer aannemelijk; zij is er vóór dat het alzoo geschiede. En het geschiedt alzoo. Er komen ook grootere en nieuwerwetsche ramen in de kamer, zij wordt heldergeel geschilderd en nu heeft men eene zaal die klinkt als een klok. Zeker wel honderd menschen kunnen er gemakkelijk plaats in nemen. „Veel te laag onder verdieping,” zeggen sommige betweters; maar dat telt de kastelein niet veel: „We zijn hier ook niet in de stad.” 
Als er nu ten tweeden male Winterjoune-Nocht wordt gehouden is er geen gebrek aan ruimte. Er zijn ook niet zoovele toehoorders opgekomen als den eersten keer. Toch is de opkomst nog zeer voldoende. Maar ziet: „’t Is den eenen bedelaer leedt als de ander voor de deure staet”, zei reeds vader Cats. — Het telkens welslagen van eene avonduitspanning in het dorp brengt eenige vernuftige jongelui op het denkbeeld: „We kunnen hier ook wel een tooneelgezelschap oprichten.” Als dit den kastelein wordt voorgesteld is hij er zeer mee ingenomen. Welnu, dat komt spoedig gereed. Deelneming genoeg. Boerenknapen en meisjes worden zoo maar in eens komedianten. Stukken als Een Bankbiljet van duizend Gulden, — Mathilde of een Vrouwenhart en andere worden ingestudeerd en opgevoerd als of ’t zoo niets is. Eerst geschiedt het twee, drie malen in gesloten kring voor leden en begunstigers, maar al spoedig acht men zich knap genoeg om-voor 't publiek op te treden. De avond daarvoor wordt aangekondigd. De zaak wordt begunstigd door uitstekend goed weer en de opkomst is zoo druk, dat de kastelein waarlijk alweer beducht is voor te weinig ruimte in zijn zaal. De opvoering gaat als van een leien dakje en loopt zonder slag of stoot ten einde. Na afloop is het geheele publiek ten hoogste voldaan en opgetogen van verwondering. „Ach, wat doen ze ’t mooi! Hoe is ’t mogelijk dat ze ’t zoo leeren ?” Dit is de slotsom van aller oordeel. De acteurs en actrices zelf zijn als opgetrokken tot in den derden hemel. En ’s anderen daags zeggen de heeren directeuren tot den kastelein: „Nu moest je dat Winterjoune-Nocht hier voortaan maar niet meer hebben. Als wij twee- of driemaal in een winter spelen, dan kunnen andere dingsigheden gerust uit ons dorp vandaan blijven.” De kastelein begrijpt dezen wenk en neemt hem ter harte; de meesten der mannelijke leden van het gezelschap behooren immers ook tot zijne vaste klanten. Het Winterjoune-Nocht behoeft dan niet weer te komen, althans vooreerst niet. 
Zoo komt men daar in weinig jaren geheel op de hoogte van den tijd. 
Het Winterjoune-Nocht moet dan weer nieuwe klandizie krijgen, zal het zich staande houden. Nu, dit is, onder allerlei vóór- en tegenspoed, tot heden tamelijk wel gelukt.

III 
 Er is ons meermalen gezegd: „Het moet op den duur toch erg eentonig worden, altijd alweer het zelfde op te lezen, dikwijls vijf of zes avonden in de week en dat gedurende den geheelen winter, beginnende in November, ook wel in October, en eindigende in Maart.” Ik spreek dit niet bepaald tegen, maar durf toch beweren, dat het aantal groot is dergenen die ’t geheele jaar door veel eentoniger leven hebben dan ik in den winter. Ik heb dat leven wel eens vergeleken bij een kaleidoskoop. 
Alle dagen immers krijg ik iets anders te zien, dikwijls elk uur op den dag. Elken avond zie ik andere menschen voor mij, en heb ik dan het geluk, dat ik hunne aandacht kan trekken, waarom zou ik dan zelf geen genoegen hebben? Ik word toch niet behandeld als een vreemdeling, maar meestal uitgenoodigd bij een of ander kringetje, om aan het gezelschap deel te nemen. Niet zelden doorkruis ik in eenen dag de geheele provincie, van het noorden naar ’t zuiden, of van ’t oosten naar ’t westen. Per spoor of stoomboot gaat dit heel gemakkelijk, maar ik moet ook nog wel eens plaats nemen in een ouderwetsche trekschuit of dorpsvoermanswagen. Bij goed weer reis ik soms een geheelen dag te voet. Dit doe ik dan zooveel mogelijk op mijn doode gemak en ga nu en dan eens pleisteren. 
Dusdoende ben ik in de gelegenheid om allerlei menschen te ontmoeten en allerlei gesprekken aan te hooren, waaraan ik deel neem of niet, al naar ’t mij verkieslijk voorkomt. Soms zwerf ik over een eenzaam heideveld of wandel door een bosch; ik vaar over een der Friesche meren of rijd over den golvenden heuvelachtigen bodem van het boschrijke Gaasterland. Het eenige wat ik bij dit alles te betreuren heb is, dat ik de natuur overal aantref in haren winterslaap. ’k Heb mij ook nu en dan genoodzaakt gezien een voetpad in te slaan oever een drassigen veengrond, om tusschen turfhoopen en veearbeiderswoningen door aan den oever der Tjonger te komen, waar ik mij moest laten overzetten. De Tjonger, dat oude kronkelende riviertje, de grensscheiding tusschen de oude Zevenwouden en de Stellingwerven, welke landstreek ook wel „het Overtjongersche” wordt genoemd, is aan haar hooger noordoostelijk gedeelte nauw en voor scheepvaart ongeschikt, maar daar waar zij de Schoterzijl nadert, die haar overtollig water in de Zuiderzee uitstort, is zij een vrij breed, doch niet zeer diep vaarwater. Daar vindt men aan weerskanten der Tjonger groote en kleine boerderijen, en andere woonhuizen. Op onderscheidene punten bestaat gelegenheid om zich te laten overzetten. Maar ’t is tien tegen een, dat men, aan een overzethuisje komende, de boot of schouw (pont) niet bij huis vindt. Een der mannelijke huisgenooten is daarmee aan den overkant, of op tamelijk verren afstand aan ’t rietsnijden of bezig met vischvangst. Er wordt aan hem geseind, door middel van een witten doek of zoo iets, dat op een staak in de hoogte wordt gestoken, of op het dak van het schuurtje geworpen. Den reiziger wordt verzocht zoolang maar in huis te komen. Men begrijpt, dat het wachten eenigen tijd kan duren; de man daar ginds toch moet eerst het gegeven teeken opmerken en dan nog met zijn vaartuig naar huis komen. Maar een kijkje in de nederige woning, waar eenvoud en natuur nog onbeperkt regeeren, is wel eenige minuten wachtens waard. De hoofd-, beter gezegd de eenige ingang van het huis is gewoonlijk de staldeur. Men kan daar, binnenkomende, een of twee Drentsche schapen ontmoeten, ook eenige hoenders en konijnen. In het woonvertrek vindt men op den haard een tamelijk groot vuur van eene niet al te beste en niet zeer welriekende turfsoort, waarover de middagpot hangt te koken. In het hoekje van den haard zit op eene lage, ruwe, misschien wel zelfgemaakte stoel, de grootvader aan een net te breien. Eene vrouw, vermoedelijk de echtgenoote van den man op wien men wacht, zit bij de tafel, spek snijdende voor het middagmaal en omgeven door eenige kinderen, die sprakeloos met open mond den vreemdeling aanstaren. De kamer is zonder vloering en betimmerd met ongeschaafd hout, bestreken met eene grove verf; het meublement zoo eenvoudig mogelijk. Toch kan men daaronder een antiek geschilderd kistje of tafeltje opmerken. De wand is versierd met kinderprenten (heiligen) van de grofste soort, waartusschen een paar ruwe lithographieën in zwartberookte lijst met glas, voorstellende “de verloren zoon”, in gezelschap van varkens —of lichtekooien. De oude man is nogal spraakzaam. Hij begint met te vragen naar uw woonplaats, het doel uwer reis en de affaire die gij uitoefent. Gij kunt dit onbescheiden noemen, hij beschouwt het als iets wat vanzelf spreekt, dat men wel weten wil met wien men te doen heeft. Hij begint ook van zich zelven te vertellen en nu ontdekt men, dat hij meer wereldburger is, dan men zou vermoed hebben. In zijne jonge jaren heeft hij als schippersknecht onderscheidene Nederlandsche provinciën bezocht en met meer dan een of twee onzer groote steden kennis gemaakt. Onder het praten door de kleine vensters turende, zie ik op het watervlak een scheepje naderen, waarin een forschgebouwd man aan de kloets taat. Hij is het die mij weldra met de meeste welwillendheid voor een gering loon naar den overkant brengt, — en ik betreed het Overtjongersche, een land waar men geen Friesch spreekt, maar wel verstaat. Oost- en West-Stellingwerf hebben niet altijd tot Friesland behoord. 
Zoo bezoek ik, even goed als de voornaamste dorpen en vlekken, ook de afgelegen streken der provincie, waar, naar veler meening, de menschen een halve eeuw bij den tijd ten achteren zijn, wat echter volstrekt niet altijd het geval is. Ook de doode steden aan de Zuiderzee zijn niet onbezocht gebleven en het getal Friesche dorpen (zij zijn vele) waar ik nimmer mijne voeten heb gezet, is uiterst gering. Nu en dan zijn wij ook over de grenzen der provincie gegaan en zelfs in Groningen, Leiden en Utrecht is Frieske Winterjoune-Nocht geweest. Den eenen avond sta ik in een der grootste zalen van Friesland’s hoofdstad, den andere in de zeer eenvoudige dorpsherberg te Jubbega, aan de Vaart. Nu spreek ik in eene sociëteit, wier leden allen flink ontwikkelde mannen zijn, die op zulk een avond hunne dames medebrengen; dan weer voor „het volk”, op uitnoodiging van het Bestuur eener Vereeniging voor „het volk.” En nu laat ik ’t over aan het oordeel van ieder verstandig mensch, of zulk een leven eentonig kan genoemd worden. 
Men heeft mij ook wel gezegd: „Er valt met al dat reizen hier en daar ook heel wat op te merken.” Zeer zeker zie en hoor ik dagelijks veel, wat stof tot nadenken geeft. Maar ik verbeeld mij, dat iemand, die meest altijd te huis zit en slechts voor een enkelen keer eens reist, daarbij veel meer opmerkt, dan iemand die alle dagen heen en weer trekt. Als men zoo onophoudelijk iets anders en alweer iets anders te hooren en te zien krijgt, dan gaat het iemand ten laatste voorbij als een droom, dan dringt het een het ander te spoedig op den achtergrond, om altijd levendige indrukken achter te laten. Toch blijft het waar, dat men ook veel ondervindt en bijwoont wat men niet spoedig vergeet. Men komt in gesprek met lieden van allerlei rang en stand, met geringe werklieden, met hooggeplaatste personen en allen die daartusschen staan. Wie wil, kan van ieder iets leeren, zoo niet direct dan indirect. Men hoort redeneeringen van knappe mannen, ook van verschillende richting-, en verkrijgt zóó, — dikwijls ongemerkt bijna, — over vele zaken geheel andere denkbeelden en meeningen, dan men vroeger had. Men hoort praten over landbouw, koophandel en nijverheid, over godsdienst en staatkunde, over lands-, gemeente- en dorpszaken, kerkelijk en wereldlijk; daardoor krijgt men van lieverlede van allerlei dingen verstand genoeg om er over te kunnen meepraten, als ’t soms te pas komt. 
De menschen gaan des Zondags ter kerk om de godsdienstoefening bij te wonen. Ik durf verzekeren, dat ik in de gelagkamer eener dorpsherberg wel eens godsdienstoefeningen heb bijgewoond, die leering genoeg inhielden. 
’t Gebeurde op zekeren Dinsdag, dat ik des avonds in een dorp nabij Sneek moest zijn. Mijne reis bracht mee, dat ik niet zeer laat in den namiddag daar reeds aankwam en in de gelagkamer den avond had af te wachten. Dit is nu iets, wat erg vervelend kan zijn, maar daarvoor bleef ik dezen keer bewaard. Op Dinsdag is te Sneek weekmarkt en al spoedig kwam er van daar terugkeerend volk in de herberg. ’t Is voor vele boeren en handelaars eene onmogelijkheid, om, van eene markt komende, regelrecht naar huis te gaan, zonder onderweg eene herberg aan te doen. 
Al staat deze in de nabijheid van iemands woning, hij zal meestal zeer gewichtige reden hebben of weten te vinden, die hem noodzaken even binnen te gaan. De lieden zijn bij zulk eene gelegenheid meestal bijzonder spraakzaam en weten gewoonlijk iets nieuws te vertellen. Alzoo was er van verveling geen sprake meer. Onder anderen hield daar tegen den avond een wagen stil, waaruit een gezelschap kwam van drie personen, een boer een veehandelaar en een slachter. Erg luidruchtig waren deze mannen reeds bij ’t binnenkomen. De slachter woonde daar in het dorp, de twee anderen een uurtje verder. Zij hadden uit vriendschap den slachter mee in den wagen genomen. Ja, als goede vrienden kwamen ze daar, maar kregen toch spoedig zulk een hevigen twist, dat het soms bijna tot handtastelijkheden kwam. ’t Zat hem hoofdzakelijk tusschen den boer en den slachter. De koopman bemoeide er zich niet veel mee en hield zich meest onpartijdig. Spoedig vernam ik uit het gesprek, dat de slachter orthodox was en de boer vrijdenker. De koopman liet er zich niet over uit wat hij was, maar zei: “Wat heb jelui daarover nu te donderjagen? Laat dat er buiten.” — De slachter zei ook: “Wat wij zijn of niet zijn, doet er niet toe; het komt hier maar op stuk van zaken aan.” — De boer wou blijkbaar gaarne vertellen wat hij was; hij stond te zwaaien en te zwetsen en riep herhaalde malen: “Ik ben materlist!” Hij verweet den slachter dingen die niet mooi waren, — in hoever naar waarheid, weet ik natuurlijk niet. Maar deze bleef zitten en zei: “Je kunt me wel allerlei leelijks aantijgen, maar bewijzen kun je ’t niet. Ik kan jou ook wel iets zeggen, wat je niet aangenaam te hooren zou zijn.” “Dan moet je liegen, anders kun je ’t niet doen. Ik heb niets op mijn geweten wat geen licht kan verdragen..” “Zeg dat maar zacht,” was ’t antwoord. “Als je aanhoudt mij te sarren, zeg ik ’t hier in ’t openbaar...” 
“Zeg maar wat je weet! mits het moet waarheid zijn, — dat vorder ik.” 
Dit geharrewar duurde eenigen tijd voort. De slachter zei al eens iets, dat de aanwezigen nieuwsgierig en den boer nog driftiger maakte. Later nog iets, —en nog iets. Zoo kwam men zachtjes aan op de hoogte van de geschiedenis. De boer was ongetrouwd; hij had, volgens den slachter, het voorwerp zijner keuze niet gekregen; zij was met een ander getrouwd en woonde nu met haren man op eene boerderij naast de zijne. En nu wreef de slachter hem onder den neus, dat hij bij die lui dikwijls aan huis kwam. 
“Wel zeker!” zei hij, “waarom zou ik niet? Wij zijn goede vrienden, wij hebben als buren elkander nu en dan noodig.” 
“Ja, ja,” zei de slachter, “maar je komt er ’t meest als de man afwezig is.” 
 Dit maakte de maat tot overloopens toe vol. “Dat is beleediging! Dat moet je waar maken. Daar ben ik zoo niet mee tevreden. Morgen ga ’k naar den burgemeester, en als je ’t dan niet waar kunt maken, zal ik eens zien wat ik met je te doen heb. Getuigen heb ik er bij!” Zoo uitvarende kwam de opgewonden man op mij aan. Ik had een weinig achteraf plaats genomen. Nu scheen hij tot schreiens toe bewogen en zei half jammerend: “Die man zegt daar iets, dat grieft me; dat doet me zeer. Maar als dat waar is, dan mag ik lijden, dat onze lieve Heer mij straft. — Wat zeg ik daar?” riep hij op eens van toon veranderende, — “ik geloof immers niet aan onzen lieven Heer! Ik ben materlist! Ik heb ’n boek, dat heet: Kracht uit stof (hij bedoelde Buchner’s Kracht en Stof— daar houd ik het mee. Kracht uit stof, dat is mijn boek; dat kun je wel eens van me te lezen krijgen. Kracht uit stof! Kastlein! Geef me nog ’n romer jenever! Kracht uit stof! Daar houd ik het mee.” 
Een anderen keer geraakte ik verzeild in het gezelschap van een erg aangeschoten kerkvoogd, die mij den ganschen avond verveelde met zijn gezwets, waarmee hij ik weet niet hoe menigmalen wel, vertelde, dat zij heeren kerkvoogden, uit de kerkebeurs hunnen dominé, die onlangs naar eene andere gemeente was vertrokken, bij zijn afscheid eene prachtige canapé ten geschenke hadden gegeven, omdat ze veel van den man hielden en zijne preeken dolgraag hoorden. Het moge velen vreemd in de ooren klinken, maar ik vraag: Zijn zulke ontmoetingen geen godsdienstoefeningen.

IV 
De naam, dien wij aan ons werk hebben gegeven, geeft te kennen, dat wij zijn uitgegaan om den menschen genot te verschaffen. Ik ben er zeker van, dat wij meest altijd dit doel hebben bereikt, zij het dan ook niet altijd op gelijke wijze. Immers als ’t op genot aankomt, is de smaak der menschen zeer uiteenloopend. De een heeft een tegenzin in iets, waarmee een ander zich tot de teenen toe kan vermaken. Ongetwijfeld bevinden zich in zulk een avondbijeenkomst als door ons wordt uitgelokt, steeds een aantal, die met aandacht en belangstelling de voordrachten volgen, en daarin genoegen smaken. Zeer zeker komen er ook velen, wien het daarom minder is te doen, maar die toch van de partij willen zijn, uit belangstelling in het gezelschap, – misschien ook uit zucht tot uitgaan. Niet zelden ook bestond ons publiek voor een deel, meermalen voor ’t grootste deel, uit jongelui, die reeds naar ’t einde verlangden, als ’t programma pas half af was, en niet schroomden ons te verzoeken maar wat spoedig gedaan te maken. Want dan kon er voor hen een ander genot aanvangen, bestaande in dansen, vrijen, enz., dikwijls gepaard met wat veel luidruchtigheid. Nu, wie zou daar iets tegen hebben? “’t Wil al muizen wat van katten komt.” Wij mochten ons dan gelukkig rekenen, als de kastelein eene geschikte plaats in zijn huis had, waar wij ons ter rust konden begeven. Bij gebreke hiervan gebeurde ’t nogal veel, dat wij door een vriend of kennis werden uitgenoodigd om mee naar huis te gaan, waarvan natuurlijk gaarne gebruik werd gemaakt. Des anderen morgens bood het verlaten huis van den kastelein dan wel eens gelegenheid aan om op te merken, dat sommige menschen genot kunnen vinden in iets leelijks. 
Als de jongelui met elkander in eene herberg gaan prethouden, betaalt de vrijer de vertering, dit zal wel overal gebruik zijn. Een oud, maar nog niet vervallen Friesch gebruik is: als men na een nacht van druk dansen en levenmaken, onder ’t gebruik van allerlei vochten, eindelijk aan naarhuisgaan begint te denken, dan wordt er eerst thee met ontbijt gebruikt, en dit betalen de meisjes. Toen ik eens op een morgen, na zulk een nacht, het kamertje betrad, waar eenige vrijende paren hadden ontbeten, kreeg ik tot mijne niet geringe verbazing de overtuiging, dat met dikke gouden kettingen gedecoreerde boerenzoons, trotsch en overmoedig op de bezittingen hunner ouders en de voornaamheid hunner familie, zich daar hadden gedragen als volslagen woestaards. Tafel en vloer waren bemorst met water en natte theebladeren, vermengd met vertrapte beschuit en doorweekte stukken wittebrood. Kopjes en schoteltjes schenen moedwillig tegen den grond gesmeten te zijn; de scherven, gedeeltelijk ook in gruis getrapt, lagen door het vertrek verspreid. En uit de kachel haalde de kastelein de trekpot, waarin het mosterdpotje zat, omgeven door een bodem gestolde boter. Er was vrij wat schade aangericht, en ik vroeg den man of hij alles betaald had gekregen. Hij trok de schouders op en zei: “De meisjes kon ik bezwaarlijk voor zoo iets laten betalen, en de jongens waren in geen geschikten toestand om hen daarover aan te spreken. Later zullen ze er ook wel niets van willen weten, want nuchteren zijn ze volstrekt niet royaal.” — Maar zij behoorden tot zijne vaste zondagavondklanten, zei hij verder en gaf nu vrij onbewimpeld te kennen, dat hij door het schrijven met dubbel krijt, van tijd tot tijd wou trachten zijne schade in te halen. Het zien en hooren van dit een en ander stemde mij onaangenaam en ik twijfelde zeer aan de waarheid van hetgeen complimentmakers ons wel eens hadden gezegd: dat wij het land doorgingen goed doende. 
Gelukkig behooren tooneelen als ’t bovenbeschrevene tot de zeldzaamheden en zijn ver de meesten onzer boerenzoons niet zulke woestaards. ’t Komt nogal eens voor, dat in een dorp een of twee belhamels wonen, die bij alle gelegenheden waar jongvolk samenkomt, kabaal maken en grofheden uitvoeren, waarbij zij niet zelden anderen meeslepen, die ’t uit eigen beweging niet zouden doen. Treden zulke belhamels af, hetzij door ’t huwelijk, als wanneer de zorgen des levens hen wel eens tam maken, hetzij, dat zij ten gevolge van toenemende dierlijkheid arm worden of vroegtijdig sterven, dan hoort men van uitspattingen onder de jongelui weinig of niets meer. Ook is het waar dat uitmunters in ’t leelïjke zich thans meer dan vroeger, dank zij der toenemende beschaving, de minachting hunner kameraden op den hals laden en door de meisjes worden geschuwd. Menigmalen heb ik ’t met genoegen bijgewoond, dat het gezelschap, na afloop van ons werk, zich overgaf aan gulle vroolijkheid, waarbij zelfs „Patertje langs den kant” wel eens te pas kon komen. Menigmalen ook werd ons werk afgewisseld door muziek of zang, hetzij van opzettelijk ontboden of uitgenoodigde gezelschappen, hetzij van toevallig aanwezige liefhebbers. Menigeen ook heeft zich, na ons te hebben gehoord, opgewekt gevoeld, om door het voordragen van een of meer geestige stukjes het genoegen der aanwezigen te verhoogen. Dit alles heeft bij mij herinneringen achter gelaten, die mij lang zullen bijblijven. Evenzoo de vele blijken van belangstelling, vriendschap en waardeering, die ik steeds in zoo ruime mate mocht ondervinden. 
Van den beginne af aan is altijd door velen, omok door mannen van kennis en oordeel, gezegd, dat het Winterjoune-Nocht zeer zeker nut moest stichten. Voor ’t minst meen ik ’t er voor te mogen houden, dat wij er wel toe hebben medegewerkt om het landvolk, althans in sommige streken, smaak te leeren krijgen in beter en fatsoenlijker manier van uitspanning, dan waaraan zij vroeger gewoon waren. Ik heb er reeds melding van gemaakt, dat er naar aanleiding van ons optreden tooneelgezelschappen zijn ontstaan. Dit is voor en na nogal dikwijls geschied, zelfs in zeer kleine dorpen. Volgens couranten-berichten die wij nu en dan krijgen van het werk dezer gezelschappen, ook volgens toespraken en toasten, die veelal na eene openlijke voorstelling worden uitgebracht, zijn dergelijke uitspanningen bijzonder bevorderlijk aan de ontwikkeling van het verstand en de veredeling van den smaak. Is dit waar, dan beweer ik, dat tooneelgezelschappen mogen beschouwd worden als de schoonste vruchten van het Winterjoune-Nocht, Ik ben er niet zeker van dat de meesten hunner dit zullen toestemmen. Zij zullen, denk ik, geen kinderen van Winterjoune-Nocht willen heeten. Nu, er is ook nog meer. 
Eens na afloop van mijn werk, in de benedenkamer zittende, waar de jonge kasteleines mij een kopje thee schonk en een boterhammetje gereed maakte, zei het vrouwtje zoo: „Toen gij voor twee jaar hier waart met het Winterjoune-Nocht zijn Jelmer en ik voor ’teerst bij elkaar gekomen,” en de toon waarop zij sprak, scheen dankbaarheid uit te drukken en te willen zeggen: Dat ik nu zoo gelukkig ben, daartoe hebt gij de eerste aanleiding gegeven. — Ik erken gaarne dat mij dit goed deed aan mijn hart. 
En verder hierover nadenkende, begon ik bij mij zelven te vragen: Wie weet hoevele getrouwde paren er in Friesland leven, die op denzelfden grond hun geluk hebben te danken aan het Winterjoune-Nocht? En wie weet welk een flink geslacht van jonge Friezen en Friezinnen daaruit is voortgekomen en nog zal voortkomen? Dit in allen ernst overwegende, komt men dan niet tot de slotsom, dat de uitgebreidheid van het nut, door onze lezingen gesticht, onberekenbaar is? Velen die bij ons eerste optreden nog als zuigelingen in de wieg lagen, komen nu als verliefde paren op het Winterjoune-Nocht, ja, wie weet hoevelen er van reeds getrouwd zijn. 
Drie-en-twintig jaren is een groot stuk van een menschenleven, het derde deel van wat men reeds een gezegenden ouderdom pleegt te noemen. Ik wil hopen dat in al die jaren hier en daar wel zaadkorrels gevallen zijn, die vruchten dragen, zonder dat het door mij of anderen wordt opgemerkt. 
’t Spreekt vanzelf dat ons werk ook wel is gecritiseerd is, een enkelen keer zelfs vrij scherp. leder verstandig mensch zal gelooven, dat wij ons nooit boven gegronde billijke aanmerkingen verheven hebben geacht; maar bittere satire meenden wij toch ook niet te verdienen. Niemand kon er meer dan wijzelven van overtuigd zijn, dat onder het vele dat wij hadden te leveren, niet alles waarde had. Het ligt in den aard der zaak dat dit niet kon. Ons programma beeft altijd bestaan uit 5 of 6 nommers, aan het voordragen waarvan, met inbegrip der tusschenpoozen, minstens drie uren werden besteed. Ik weet, dat buiten Friesland niet velen belang stellen in Friesche taal- en letterkunde. Voor dezulken heeft ons streven, voorzoover het in ’t belang dier taal- en letterkunde moge zijn, natuurlijk geen waarde. Maar ik meen toch ook nu en dan uit andere provinciën stemmen vernomen te hebben, die schenen te vragen: „Wat is toch dat Fryske Winterjoune-Nocht?” Door hetgeen ik er thans over medegedeeld heb, hoop ik de nieuwsgierigheid dier vragers eenigszins te hebben bevredigd. Toch verbeeld ik mij, dat er nu nog gevraagd zal kunnen worden: „Wat wordt er dan in die Friesche voordrachten den volke verkondigd?” — Ik wil beproeven den voornaamsten inhoud van eenige onzer stukken, die voor ’t meerendeel in versmaat gesteld zijn, in Hollandsch proza terug te geven. Ik geef dan meteen schetsen uit het Friesche volksleven.  

(Algemeen Handelsblad, 11, 18 febrewaris 1883; 11, 18 maart 1883) 

Sjoch ek: Waling Dykstra, ‘Tobek-sjen op ’t oulein paed, nei ourin fen ’t fiif-en-tweintichste Fryske winterjoune-Nocht’, yn: Wintergrien. Rym en onrym (R.P. Zylstra, Op ’e Jouwer 1886) 5-26.

zaterdag 21 juli 2018

Auke Boonemmer - In wûnderlike âlde hear

Humme sit allinnich; in âld reisber man komt by him yn. 

De âlde 
Ik moast ris efkes sjen, oft jo ynoarder wienen. 

Humme 
Wa binn’ jo, as ’k freegje mei? Jo meitsje my hast kjel; 
Jo sjugge d’r stimmich út en lykje al op jo jierren. 
Kom fal op dizze stoel mar efkes by my del; 
Jo sille, tinkt my, wol in bytsje rêste wolle. 

De âlde 
Nee man, dat ha je mis, ik bin gjin freon fan rêst, 
Mei sitten en mei stean bemuoi ik my net folle, 
Hoewol’t men somtiids my wol loaiens leit te lêst. 
Ik hâld myn fêste trant, al wurd ’k mei ûntank leane; 
Al wurd ik troch de lju soms rare falsk bepraat. 
By de iene krûp ik fuort, by de oare jit it fleanen, 
Al nei ’t myn gong him let, of tige oerfloedich baat. 
Mar dit is lykwols wier, stil kin ’k it nearne hurde, 
Hjir by jo op ’e stoel gean ’k stadich noch foarút. 

Humme 
Dat fetsje ik siker net; hoe moat dat útlein wurde? 
Jo lykje in âlde hear; binn’ je ek in âlde gút? 

De âlde 
By wilen bin ’k dat al. Je kinne neat betinke 
Dat ik net bin, west ha, of ienkear wurde sil; 
Ik nim soms alles wei, en soms kin ’k alles skinke; 
Ja, fan de hiele wrâld bin ik sa wier de spil. 

Humme 
Dan kin jo mooglik wol moai skiklik kopkekykje, 
En lizze, as ’t frege wurdt, de kaarten efkes rûn. 
’k Tocht dalik wol, der soe fan suks wat yn jo stykje; 
Jo ha my frjemd beskied op al myn fragen jûn. 
Dochs binn’ je hjir ferkeard mei sukke mâle keunsten 
By my terjuchte komd, ik hâld der heel net fan; 
Jo krije dus fan my alhiel en al gjin winsten. 

De âlde 
Is ’t wier? Dan binn’ jo dochs foar my de rjuchte man. 
Oan my ûntkomt gjin ien, wa’t wêze mei of hjitte; 
En woll’ je my net kenne, och, dat is skea foar jo; 
Mar dy’t my goed begrypt, dy kom ik graach temjitte. 

Humme 
Soa, ei? Ik bin oars ek sa dom net as in ko. 
Jo binn’ in âlde prúk, in rare dwerse kneppel, 
En gjin skriftuerlik man wurdt út jo praatsjes wiis, 
Al lein’ je dronken yn in sleat of yn in greppel, 
Safolle stel ik nou jo wurden ek op priis. 
Wa bist dochs, âlde paai? 

De âlde 
Bedarje in bytsje, jonkje! 
It tekent gjin ferstân, sa’n ûnbetocht geskel. 
Net ien kin, lykas ik, mei âlde griisheid pronkje; 
Ik bin de taaiste man en ek de grutste held. 

Humme 
Je, puffe en blaze is neat! Wat ha jo dochs om hannen? 
Bring’ j’ oan in wachtsjend faam in flinke, knappe fint? 
Of soargje jo faak ek foar ûnbemeunst’re mannen, 
As keppelman of sa? Sa lykj’ je wol omtrint. 
Of meitsj’ je Revalente of lichtwol Liebichs fiedsel? 
Of binn’ je Malzextract, of binn’ je Hollewai? 
Jo dwaan en sizzen is en bliuwt foar my in riedsel. 
Of krijt slûk hier en burd troch jo wer kleur en draai? 
Of ha je Tuffelsjippe, of faaks Urbanuspillen? 
Of ha je Borstbonbons, of fan dat Suversâlt? 
Of dogg’ je yn Levertraan of oare fette spullen? 

De âlde 
Teminsten meitsje ik faak de jonge minsken âld. 

Humme 
Da’s ommers glêd ferkeard; dat soe ’k mar leaver litte; 
Mar âlde minsken jong, dat kaam my better foar. 
Dat fine sjippespul, dêr wol ik neat fan witte; 
Kinsto ’t begûchelje, dan nim ik dy foar kar, 
Of kinst’ licht tsjoene? 

De âlde 
Ja, dat moatst foaral mar leauwe, 
Want heste gjin geloof, dan helpt it net in bean; 
Sûnt alle wize lju oer ljochte dingen skriuwe, 
Ha duvelbanders meast in dealis skriel bestean. 

Humme 
Nou, tsjoen dan mar ris wat. Ik ha ferlet fan moppen; 
Help do my dêr ris oan, dan krigest ek in slok. 
Witst net in heal miljoen my efkes ta te skoppen? 
Of rint dat soart fan wurk dy mooglik al te drok? 

De âlde 
Dat tel ik net in bean, mar dan moatsto net sûpe.
 Do praatste fan in slok! Nou, drinken moat men ha, 
Mar dronken kin in minske in heal miljoen ûntglûpe, 
En do woest, seiste, krekt sa’n heal miljoentsje ha. 

Humme 
Ja, tige graach! Wie ’t mear, dat die my ek gjin hinder. 
En helpst my dêrby ek noch oan in deugdsum wiif, 
Mei tsjeppe, kreaze lea, dat wie foaral net minder, 
Dy skepsels binne dochs jin faak fan grut geriif. 
Do witste rûnom fan, fêst ek fan lotterije, 
Ik bin oan ’t folkspaleis al ien ryksdaalder kwyt. 
Yn Hamboarch kin men ek wer sukke lotten krije; 
Mar oan dy poepeboel jou ik leafst net in byt. 
Bisto licht ek in poep, mei bier of sûkelade, 
En heste grutte sifers op in djoer papier? 
Dan sis ik dy foarút, dy spullen kinste hâlde; 
Want wat jimm’ der fan sizze, is altyd lang net wier. 
Do moatst it skikke mei ûnfoege troanjeminter; 
Dêr ha ’k courage foar, al dochst it noch sa bryk. 

De âlde 
Ik steur my oan gjin lof en oan gjin drigeminten; 
Ik meitsje dea bedaard de iene earm en de oare ryk. 
’t Is wier, ik krij dêrtroch de skuld fan ’t iene en oare; 
En dochs, de minsken sels dy helpe my in hân. 
En dêrom soe ’k lûdop wol drystwei sizze doare: 
De minsken yn ’t gemien ha noch te min ferstân. 
De kranten moasten, tocht my, ’t folk sa wiis nou meitsje: 
Dat yn dat wûnderguod in grouwe flater sit. 
Want wol men stadichoan foar lêst en kwalen weitsje, 
Dan hjit it middel meast net nimme! nee, mar lit! 
Lit wat it lichem let en wat de ponge mindert, 
Oars as yn wol betocht en goed berekk’ne dwaan. 
Leau dat my faak genôch dat jild ynpalmjen hindert; 
Mar ’k hoopje, stadichoan sil ’k dommen wiisheid jaan. 
Mar nou fan ’t ien yn’t oar: do wieste net in dommen, 
Neist mienste, seiste niis; mar wêrom hest gjin wiif? 
En wêrom hearskest net oer hele grutte sommen? 
En wêrom falste my dêrom sa lomp op ’t liif? 

Humme 
As flokken helpe koe, dan flokte ik as in ruter! 
Wa bist dochs, wûnd’re knaap? Ik kin der mar net by! 
Do helpst my yn ’e war. Moat ik sa’n âlde snuter 
Utlizze wat ik mis en mooglik nimmer krij? 
Do hâldst dy ûnbekend en wolst my stiltsjes klirkje; 
Mar bychte wol ik net, ik bin in earlik man, 
En earlik moat it, wolst foar my wat goeds bewurkje. 

De âlde 
Nou bychtest al! Domme snaak! dêr komt dyn earmoed fan. 
Dy’t oansjen hawwe wol, teminsten jild fergarje, 
En dêrby leafst in moai en deftich frouminsk troud, 
Dy kin mei earlikheid it altyd lang net klearje, 
Om’t draaierij en koal faak better fruchten jout.
’t Is better datst sabeare in hopen deugden heste 
En earlik libbest, al bist’ yn ’e grûn in snaak; 
Al heste it mar yn skyn, do kinst it goed ferkeapje, 
De measte minsken binn’ de bêste kenners net. 
Allinne dêrmei kinst al aardich jild opheapje;
In hopen wurde by dy hannel modderfet. 
Sa’n frommens, sjuch, dêr kinst allike goed om lige, 
Dy soart fan frommens dochs giet boppe ’t hert jin ou. 
Do kinst in oar der ek wol fyntsjes om foarlige, 
Allinne, pas wat op en doch it net te grou. 
Mar sliepe moast net foll’; hoewol, dat sil wol leare; 
Dy’t ryk wurdt lâns dy wei, is net hiel slieprich meast, 
Men seit it kin te slim, dan wol ’t alhiel net beare, 
’t Gewisse rekket dan te strak soms op it lêst. 
Ik ha se wrychtich kend, dy’t der tachtich jier mei pielden, 
En hienen libbenslang gjin pine fan dy kwaal; 
Mar dochs op ’t alderlêst by ’t stjerren ûnrêst fielden,
En kreunden: ,,Hie ’k dat tocht! o jild! o duvelhaal!”

Humme 
Wy sitte yn skimerjûn, ’t wurdt geandewei al tsjuster; 
De spoekers-oere komt, sis do mar: ,,Kris en krús!” 
Want dalik by dyn komst wie ik de tried al bjuster, 
Ik rekkenje ’t hieltyd út, ’t komt nearne by te pas. 
Nou, gûchelje ris op! al kinst net bommedearje 
Mei ’n lûd as út in tûne, allyk as Ludeman. 
Mar ik ha soarch, do silst it mei dat wurk net klearje,
De hele tsjoenkeunst, leau ’k, dêr witst gjin grevel fan. 
Do moatst oars hjir of dêr yn de Earste of Twadde Keamer; 
Do bist in diplomaat, do bliuwst op ’t selde plak. 
Do bist in praat-mar-fuort, in bulte dingen-neamer, 
Do seist in hele boel, en ’t dwaan wurdt mei dy lak. 

De âlde 
Ik ha dy niis al sein, ’k wie alles of ’k soe ’t wurde, 
Dus ek wol diplomaat. Noch grutter abbekaat. 
Ik hoopje dy dat strak ris efkes te betsjutten, 
Al hest my nou en dan ek foar de holle staat. 
Ik lear de minsken mei gjin lûd as út in tûne, 
Dat grommet my te dof en is my fierste ûnklear, 
Mei chassepots gewear en Armstrongske kanonnen 
Jou ik se soms ris les en sjit se op heapen gear. 
Hja meitsje nou gjin pret mear fan dy moarderijen; 
By âlds gong ’t skraach sa hurd, doe hien’ se der wille fan; 
Hja stookten fjurkes oan om ljocht der by te krijen, 
En bretten libbensliif in frouminske of in man, 
En as ’t te pas kaam mear: de tastel skeelde ’t folle. 
Dat wie har fjurwurk doe; mar ’t gyng my dochs te grou; 
Hoe min de minsken noch elkoar ferdrage wolle, 
Dy wrede feesten skafte ik njonkelytsen ou. 

Humme 
Nee, dêrom doar ik dy foar ’n toov’ner wol útskelle, 
Dat let dy net in bult, hja baarne dy net op. 
Dat wie ek slim genôch, mar as men ’t my bestelde, 
Dan joech ik bare graach wat linich dy de skop. 
Mar nou noch ken ’k dy net. Wêr wol dyn praten hinne? 
Wa deale biste dochs? Wat wolst hjir by my dwaan? 
Hesto it yn ’e macht en soest it skikke kinne, 
Om my in heal miljoen mei ’n himmel wiif te jaan, 
Al bist dan ek in poep, ik jou dy lykwols eare. 
Do kinst mear as rjuchtwei, dat sjuch ik wol oan dy; 
Mar sok in grut kerwei, dat sil wol misbeteare! 
’k Frees dat ik gjin kaptaal en ek gjin frouminsk krij. 

De âlde 
It kin wol komme, mar do moatst licht noch wat wachtsje. 

Homme 
Rin nei de moanne, fint! ’k bin seis en fjirtich jier! 
Wat dochst hjir langer, ju? Do litst dy mar benachtsje; 
Kom, gean dyn wegen mar; ik krij dy oars by ’t hier. 

De âlde 
Ferdwaalde minskebern! Ik moat dy ommers liede. 
Do kenst my ek al net, al makke ’k faak dy bliid. 
Wês net mear sjende blyn, en lit dy fan my riede, 
En achtsje en earje my: ik bin de grize Tiid. 

Humme 
Is ’t wier? Earweardich hear! ferjou myn domme setten! 
Ik stie wol by jo stil, mar seach jo net goed oan. 
’t Is hast in heale ieu, dat w’ elkoar daagliks metten. 
Mar ’k ha jo eale gave al faken raar bedoarn. 
Nou moatte je, as ’t jo bleaft, my net te lestich falle, 
Oer wat ik fan jo wurk en jo hantearring sei. 
Der wurde pillen draaid en alderhanne salve, 
En elkenien dy seit: ,,De tiid dy bringt dat mei”. 
Mar dat je mannichien in wiif en oerfloed bringe, 
En my mar pas genôch of aardich wat te min, 
Al ha ’k it eardernôch foar fêst by jo betinge, - 
’k Moat sizze sa’t it is – dat is my net nei ’t sin. 
En nou, al ridlik âld, my noch mei wachtsjen paaie! 
Wat sil ’k op ’t lêst dermei, al krige ’k al dat spul? 
De froulju moatte my fansels de rêch tadraaie, 
Omdat men, âld en stiif, gjin ien mear haagje sil. 
’t Is wier, je passe ’t soms al nuver bymekoaren, 
In grize, âlde hear by ’n tsjep mar earem faam; 
Mar leau ek, dat je sa rju libbenslok bedoaren, 
En dat it mannichien bedroefde min bekaam. 
En nou begjinn’ je mei Europa’s jonge schoonen 
Sa rij te wurk te gean, it roait hast nearne nei! 
Je stome frachten nei Amearika’s Mormonen: 
Is dat fatsoenlik dwaan, Earwurdich Hearskip? Sei! 
En is dat minsklik dwaan, dat moardzjen en dat sjitten?
’t Is lang ferlyn al sein, je makken ’t ienkear dien; 
Mar letter ha j’ alwer by tûz’nen moardzje litten. 
Wat binn’ troch de oarloch al in bulte om sjippe gien!
It liket langer ek wol dat je gjirrich binne, 
Sa rêd fljucht alles nou mei stoomkrêft troch de wrâld. 
,,Tiid”, seit men mar, ,,is jild”; men skrept troch elkoar hinne 
As gekken, mar men wurdt dochs ûngemurken âld. 
En dan, je bringe ús wol in hopen nije wetten, 
En eltse wet driuwt wer, sa ’t hjit, in ûnheil út; 
Mar altyd het men jin der stellich nei te setten, 
Hoe moai en bêst, it draait op jildopbringen út. 
Mar kom, ik hâld mar op; ik kin tsjin jo net fjuchtsje, 
Je binne earwurdich, âld en ha fêst Adam kend. 
Je hawwe in hopen sjoen en ek in bult ferrjuchte, 
En klachten oer jo wurk, binn’ je ek al ridlik wend. 

De âlde 
Ja, skied mar efkes út; do neamste dêr sa folle: 
Froulju, kwaksalverije en jild, lang net it minst; 
En oarloch, jildopbringst sit dwers dy yn ’e holle, 
Omdatste it mei de geast fan de ieu net rime kinst… 
Foarútgong, wolste ha, moast minske dwaasheid keare; 
De kristenen foaral dy moasten ’t foarbyld jaan, 
En elkoar sa barbaarsk en wreed net knippe en skeare, 
Mar wat se dien ha wolle, ek oare minsken dwaan. 
Do praatste oer Adam ek: dy hiet fan liem te wêzen, 
En dêrtroch wie de minske ek as in klompe daai; 
Wy sjugge ’t, as wy mar oandachtich ’t skiedboek lêze, 
Men jout it minskdom soms foar ’t uterlike in draai, 
Wêrtroch it minskedwaan wat oars as earen liket; 
Men leit oer alles liep in fariseeske klaad; 
Mar sjogg’ je tige ta, dan krij’ je ’t yn ’e kikert,
It minske goed en kwea giet noch it âlde paad. 
Mar ik, ik krij de skuld, as ’t kwea begjint te stekken, 
Hoe goederjousk ik bin, hoe stadich oft ik gean, 
Men neamt myn namme net as kwea derfan te sprekken, 
En rare wurden komme al faak derfoar te stean! 
Mar einlings wurd ik sels de wiiste en lêste rjuchter; 
Ik bûch foar nimmen, en ik bring in boel oan ’t ljocht. 
Ik meitsje leed wer sêft en folle paden sljuchter. 
Ha ’k dy net fakernôch ek goede dagen brocht? 
Ik lien – al mient in minske in hopen te besitten - 
Ik lien him libbenskrêft en sûnens, jild en guod. 
Ik lien – want ienkear het men mei ’t wer nei te litten - 
Ik lien en nim foar my wer letter goed en tsjoed. 
Ferbjust’re minskebern! Wat klagest datste miste, 
Wat ik oan oaren faak yn romme mjitte joech? 
’t Besit fan leafde en jild, ast dêr gjin byt fan witste, 
Dan witste ek net fan leed as ’k mei ferliezen sloech. 
Nee, lake heste net, as leafde en oerfloed dijden, 
By minsken, dy’t it hjir nei sin en winskjen gong; 
Mar kriten heste ek net, as lju, dy’t bitter lijden, 
Wannear’t men misse moast, dêr ’t hert sa fêst oan hong. 
Fergetten heste faak, troch nei besit te draven,
Dat ik in grut besit oan sûnens ha ferbûn, 
En boppedat in rêst, oan earme goede braven, 
Dy’t nimmer by ’n oerdwealske rykling wurdt befûn. - 
Mar datst my murken hest, dat kin ta nut dy liede, 
Do bist, fernim ik wol, my jitte lang net sêd. 
’k Ha fêst foar alle lju wol libbensnocht, al skiede 
Jimme ienkear fan my ou en sliepe op ’t lêste bêd. 
Jimm’ sjugge my hjir wer, dus freugde mei jimm’ barre; 
Jimm’ laken nou en dan en wienen hoopje ’k bliid; 
Sa mei jimm’ hoopje ’k noch in oantal jierren farre, 
Belibje mei elkoar in lange, blide tiid. 

October 1860. Swanneblommen 1872 s. 3-14.