zaterdag 30 april 2011
donderdag 28 april 2011
STUDIO OUDEBILDTZIJL (3) En tegenwoordig fitnessen zelfs de Clarissen
Sacha Blé, Zie maar (De Contrabas, Leeuwarden/Utrecht 2010)
www.decontrabas.com
‘Onze samenleving is de eerste die gelooft dat een mens gelukkig moet worden van zijn job, dat je werk dé manier is om je persoonlijkheid te ontwikkelen, iemand te worden.’ Aldus een van de twee motto’s die Sacha Blé (pseudoniem van Andy De Smul, Sleidinge 1971) zijn jongste en vierde dichtbundel Zie maar heeft meegegeven. Poëzie en engagement, wat die combinatie vermag, laat Blé zien in vijf afdelingen van elk zeven gedichten. Een afsluitend poëtisch essay is samengesteld uit brieven aan de Vlaamse expressionistische schilder Gust. De Smet (1877-1943).
In korte, anekdotische ‘meditaties’ vertellen een bed-and-breakfast eigenares, een Dominicaner novice, een klassiek geschoold gitarist, een thuiswandelaar, een ex-bewoner van een woongemeenschap en een briefdichter over hun leven als dertiger in Vlaanderenland. Veel modieuze zaken passeren de revue: glossy’s, citytrips, fotoshoppen, bioboeren, Apple, Facebook, duurlopen, yofu, kiwi, chakra’s, houtskeletbouw, dierenwelzijn.
Niet dat de protagonisten in deze bundel zich beklagen; eerder slaan ze de samenleving en hun eigen positie daarin gade, soms verwonderd, dan weer gelaten. Het zijn dertigers, dat wil hier zoveel zeggen als: voormalige wereldverbeteraars die een nieuw evenwicht in hun leven proberen te vinden. Steeds speelt op de achtergrond het probleem mee dat een bekend Fries bankbedrijf vorig jaar z’n reclameslogan bezorgde: de kloof tussen willen en kunnen. ‘Passie en routine, hoe dat te verzoenen’, vraagt de Dominicaner novice zich af. Op zijn beurt memoreert de klassiek geschoolde gitarist het ‘mogelijke conflict tussen betrokkenheid en apathie’.
Het is een vraag die onlangs ook aan de orde kwam in een andere bundel die hier ter Studio Oudebildtzijl werd besproken, Dode kamer van Blé’s landgenoot Erik Spinoy. Maar hoe anders is de aanpak van Blé. Waar Spinoy zijn gedichten giet in de vorm van onpersoonlijke, filosofische observaties en precies genoteerde weergaves van zintuigelijke prikkels, laat Blé mensen van vlees en bloed aan het woord. Ze laten iets los over hun ambities, maar vooral ook over hun teleurstellingen; hun leven is ‘triste un peu’. De gedichten hebben een vrije vorm, je zou ze prozagedichten kunnen noemen, tellen meestal zo’n tien à twaalf regels en gebruiken een simpele, ironiserende taal zonder al te Grote Woorden:
IV – Een yoga (1)
Zie. Sinds ik wandel noemt men mijn wandelen
een vorm van yoga, heet het
een keuze, een positieve voor
onthechting en ontroering, staat het haaks
op de hobbymanie, de kitsch van vandaag.
Men ziet het meer en meer, sust men,
eigenlijk leefde het wél
in eerdere generaties,
en tegenwoordig fitnessen zelfs de Clarissen,
ik hoef het u niet uit te leggen.
Knap hoe Blé hier in conversatietaal en op lichtvoetige wijze niet zozeer aanklaagt, als wel signaleert. Het parlando van zo’n gedicht wordt bij de poëtische les gehouden door subtiele accenten zoals de assonanties van ‘haaks’ en ‘vandaag’ en ‘men’ en ‘wél’, en natuurlijk door die ene uitmuntende regel: ‘en tegenwoordig fitnessen zelfs de Clarissen’.
Moet ik ‘expressiever, wie weet pathetischer communiceren?’ vraagt de thuiswandelaar zich af. En dat heeft ook Blé zich afgevraagd. Het (ontkennende) antwoord is te vinden in de laatste afdeling van de bundel, de lange essay-brief ‘Van alles het essentiële’, gericht aan de schilder Gust. De Smet. De briefdichter richt zich tot deze reeds lang geleden overleden expressionist, die bekend stond als ‘de schilder van het Vlaamse vrolijke leven’. Schilderen van dat leven, dat doet de briefdichter ook, en uit zijn brief wordt duidelijk dat De Smet een voorbeeld voor hem is.
Ook hij wil, net als De Smet, afrekenen met cliché’s, hij verwerpt goedkope kunstgrepen – al lezen we niet wat in de poëzie dan moet worden beschouwd als goedkope kunstgrepen – en wil ‘het innerlijk leven vertolken met de grootst mogelijke eenvoud’. En passant wordt De Smet vergeleken met de dichteres Ida Gerhardt, in een passage waarin we tevens klip en klaar de poëtica van Blé zelf verwoord zien: ‘Bovendien lijkt het me alsof het er u beiden in uw artistieke werk om te doen was een dagelijkse, monolithische sérieux te vertolken op een nadrukkelijk beheerste of onpathetische wijze en vanuit een persoonlijke anekdotiek, die vervolgens onzichtbaar achter het eindresultaat moest verdwijnen.’
In Zie maar vraagt Blé wellicht iets te nadrukkelijk aandacht voor zijn poëtische werkwijze – alsof hij bezorgd was dat de lezer zijn bundel anders niet zou begrijpen. Dat neemt niet weg dat hij in zijn opzet met vlag en wimpel is geslaagd: verfrissende, originele poëzie schrijven die op een opmerkelijke wijze geëngageerd is.
28 april 2011
www.decontrabas.com
‘Onze samenleving is de eerste die gelooft dat een mens gelukkig moet worden van zijn job, dat je werk dé manier is om je persoonlijkheid te ontwikkelen, iemand te worden.’ Aldus een van de twee motto’s die Sacha Blé (pseudoniem van Andy De Smul, Sleidinge 1971) zijn jongste en vierde dichtbundel Zie maar heeft meegegeven. Poëzie en engagement, wat die combinatie vermag, laat Blé zien in vijf afdelingen van elk zeven gedichten. Een afsluitend poëtisch essay is samengesteld uit brieven aan de Vlaamse expressionistische schilder Gust. De Smet (1877-1943).
In korte, anekdotische ‘meditaties’ vertellen een bed-and-breakfast eigenares, een Dominicaner novice, een klassiek geschoold gitarist, een thuiswandelaar, een ex-bewoner van een woongemeenschap en een briefdichter over hun leven als dertiger in Vlaanderenland. Veel modieuze zaken passeren de revue: glossy’s, citytrips, fotoshoppen, bioboeren, Apple, Facebook, duurlopen, yofu, kiwi, chakra’s, houtskeletbouw, dierenwelzijn.
Niet dat de protagonisten in deze bundel zich beklagen; eerder slaan ze de samenleving en hun eigen positie daarin gade, soms verwonderd, dan weer gelaten. Het zijn dertigers, dat wil hier zoveel zeggen als: voormalige wereldverbeteraars die een nieuw evenwicht in hun leven proberen te vinden. Steeds speelt op de achtergrond het probleem mee dat een bekend Fries bankbedrijf vorig jaar z’n reclameslogan bezorgde: de kloof tussen willen en kunnen. ‘Passie en routine, hoe dat te verzoenen’, vraagt de Dominicaner novice zich af. Op zijn beurt memoreert de klassiek geschoolde gitarist het ‘mogelijke conflict tussen betrokkenheid en apathie’.
Het is een vraag die onlangs ook aan de orde kwam in een andere bundel die hier ter Studio Oudebildtzijl werd besproken, Dode kamer van Blé’s landgenoot Erik Spinoy. Maar hoe anders is de aanpak van Blé. Waar Spinoy zijn gedichten giet in de vorm van onpersoonlijke, filosofische observaties en precies genoteerde weergaves van zintuigelijke prikkels, laat Blé mensen van vlees en bloed aan het woord. Ze laten iets los over hun ambities, maar vooral ook over hun teleurstellingen; hun leven is ‘triste un peu’. De gedichten hebben een vrije vorm, je zou ze prozagedichten kunnen noemen, tellen meestal zo’n tien à twaalf regels en gebruiken een simpele, ironiserende taal zonder al te Grote Woorden:
IV – Een yoga (1)
Zie. Sinds ik wandel noemt men mijn wandelen
een vorm van yoga, heet het
een keuze, een positieve voor
onthechting en ontroering, staat het haaks
op de hobbymanie, de kitsch van vandaag.
Men ziet het meer en meer, sust men,
eigenlijk leefde het wél
in eerdere generaties,
en tegenwoordig fitnessen zelfs de Clarissen,
ik hoef het u niet uit te leggen.
Knap hoe Blé hier in conversatietaal en op lichtvoetige wijze niet zozeer aanklaagt, als wel signaleert. Het parlando van zo’n gedicht wordt bij de poëtische les gehouden door subtiele accenten zoals de assonanties van ‘haaks’ en ‘vandaag’ en ‘men’ en ‘wél’, en natuurlijk door die ene uitmuntende regel: ‘en tegenwoordig fitnessen zelfs de Clarissen’.
Moet ik ‘expressiever, wie weet pathetischer communiceren?’ vraagt de thuiswandelaar zich af. En dat heeft ook Blé zich afgevraagd. Het (ontkennende) antwoord is te vinden in de laatste afdeling van de bundel, de lange essay-brief ‘Van alles het essentiële’, gericht aan de schilder Gust. De Smet. De briefdichter richt zich tot deze reeds lang geleden overleden expressionist, die bekend stond als ‘de schilder van het Vlaamse vrolijke leven’. Schilderen van dat leven, dat doet de briefdichter ook, en uit zijn brief wordt duidelijk dat De Smet een voorbeeld voor hem is.
Ook hij wil, net als De Smet, afrekenen met cliché’s, hij verwerpt goedkope kunstgrepen – al lezen we niet wat in de poëzie dan moet worden beschouwd als goedkope kunstgrepen – en wil ‘het innerlijk leven vertolken met de grootst mogelijke eenvoud’. En passant wordt De Smet vergeleken met de dichteres Ida Gerhardt, in een passage waarin we tevens klip en klaar de poëtica van Blé zelf verwoord zien: ‘Bovendien lijkt het me alsof het er u beiden in uw artistieke werk om te doen was een dagelijkse, monolithische sérieux te vertolken op een nadrukkelijk beheerste of onpathetische wijze en vanuit een persoonlijke anekdotiek, die vervolgens onzichtbaar achter het eindresultaat moest verdwijnen.’
In Zie maar vraagt Blé wellicht iets te nadrukkelijk aandacht voor zijn poëtische werkwijze – alsof hij bezorgd was dat de lezer zijn bundel anders niet zou begrijpen. Dat neemt niet weg dat hij in zijn opzet met vlag en wimpel is geslaagd: verfrissende, originele poëzie schrijven die op een opmerkelijke wijze geëngageerd is.
28 april 2011
woensdag 27 april 2011
maandag 25 april 2011
zondag 24 april 2011
Vaarwel geliefde Rosalijn
Oantroffen op www.dbnl.org: in liet dat songen waard troch myn oerbeppe Sijke Louwenaar-de Vries, dy't de wurden learde op de ierappelfjilden fan It Bildt.
[Yn 't midden Sijke Louwenaar-de Vries]
Samenvatting
Een soldaat neemt afscheid van zijn beminde om naar het front te gaan. Daar raakt hij in het heetst van de strijd gewond. Eerste hulp wordt geboden door de zusters van het Rode Kruis, onder wie zich zijn geliefde, die het ouderlijk huis is ontvlucht, bevindt. Aan haar zorg en toewijding is het te danken dat hij binnen enkele weken geneest.
1
Vaarwel, geliefde Rosalijn,
’k Moet weer bij m’n troepen zijn,
Meisje, lieveling van mijn hart,
Scheiden baart mij diepe smart.
’t Moedig paard wacht reeds op mij
Mogelijk sneuv’len w’ allebei.
Ontvang dees ring van mij gewis
Tot een gedachtenis.
2
Wenend staat zij op ’t balkon
Bij ’t vertrekken der schadron:
O, hoe fier rijdt hij te paard!
Ja, hij is haar liefde waard.
Zie, die jonge luitenant
Wuift tot afscheid met z’n hand...
Welt in krijgsmans oog een traan
Bij het ten strijde gaan?
3
Duizend werden neergeveld
Op het Japanse oorlogsveld.
Liefde, die zich steeds ontfermt
Heeft de officier beschermd.
’t Is alsof de dood hem spaart:
Moedig zit hij nog te paard,
Aan ’t hoofd van ene ruiterstoet
Strijdt ie met nieuwe moed.
4
En bij charge en het front
Werd den officier verwond:
Paard en ruiter stortten neer
Op het bloedig veld van eer.
Al die bloei van eer en roem
Vergank’lijk zijn ze als een bloem,
Maar hij deed zijn krijgsmansplicht
En dat maakt zo licht.
5
En bij held’re sterrennacht
Houden d’ engelen nog de wacht.
Zusters van het Rode Kruis
Komen aan met zacht gedruis,
Bidden voor hun heil en ziel
Toen daar hare minnaar viel.
Onder tranen brengen zij
Menig gewonde bij.
6
Engelengestalten zweefden rond
Op de met bloed doorweekte grond.
Ook bij hem knielt jong en teer
Ene liefdezuster neer.
Waarom ziet ze hem zo aan,
Waarom vloeit die droeve traan?
Bij het licht der maneschijn
Ziet hij z’n Rosalijn.
7
Zij ontvluchtt’ ’t ouderlijk huis
En nam dienst in ’t Rode Kruis.
Zij beminde om liefdeswil
’t Slagveld, nederig en stil.
In het liefdezusterskleed
Zag zij van ver het krijgsmansleed
En zo vond ze in stille smart
De lieveling van haar hart.
8
En terwijl ze hem verbindt
Die ze bovenal bemint
Ziet het paard zijn meester aan
Net of hij wil doen verstaan:
Als ware vrienden scheiden wij
Want het einde is nabij.
Ja, ’t lieve trouwe dier
Sterft naast de officier.
9
Door de zorg van Rosalijn
Mocht ze altijd bij hem zijn.
In ’t lustprieeltje aan de kant
Verzorgt ze hem met ted’re hand,
Schoon het weken duurt gewis
Voordat hij genezen is.
In reine liefde en geduld
Wordt hare wens vervuld.
10
O, hoe teder en hoe zacht
Is der eng’len blijde wacht!
Zusters van het Rode Kruis
Gij werpt rozen in hun kruis.
’t Is de liefde die beveelt
En de zwaarste wonden heelt
Liefde strooit haar rozen neer
Ook op het veld van eer.
Opname 9 oktober 1967
Gezongen door Sijke Louwenaar-de Vries te St. Jacobiparochie. Ze werd in 1895 in deze plaats geboren. De liederen die ze kende leerde ze thuis en op het land in haar omgeving. Zij werkte bij boeren. Dat gebeurde destijds in groepen van zo'n tien tot twaalf jongens en meisjes in de leeftijd van dertien tot twintig jaar. Er werd gezongen bij het aardappelrooien, vlastrekken, bieten rooien en bij het binden van tarwe en haver.
Uit: Marie van Dijk en A.J. Dekker, Onder de groene linde. Verhalende liederen uit de mondelinge overlevering. Deel 3. Liederen over trouw en ontrouw in de liefde, verleiding en verlating. Uitgeverij Uniepers, Abcoude 1991
[Yn 't midden Sijke Louwenaar-de Vries]
Samenvatting
Een soldaat neemt afscheid van zijn beminde om naar het front te gaan. Daar raakt hij in het heetst van de strijd gewond. Eerste hulp wordt geboden door de zusters van het Rode Kruis, onder wie zich zijn geliefde, die het ouderlijk huis is ontvlucht, bevindt. Aan haar zorg en toewijding is het te danken dat hij binnen enkele weken geneest.
1
Vaarwel, geliefde Rosalijn,
’k Moet weer bij m’n troepen zijn,
Meisje, lieveling van mijn hart,
Scheiden baart mij diepe smart.
’t Moedig paard wacht reeds op mij
Mogelijk sneuv’len w’ allebei.
Ontvang dees ring van mij gewis
Tot een gedachtenis.
2
Wenend staat zij op ’t balkon
Bij ’t vertrekken der schadron:
O, hoe fier rijdt hij te paard!
Ja, hij is haar liefde waard.
Zie, die jonge luitenant
Wuift tot afscheid met z’n hand...
Welt in krijgsmans oog een traan
Bij het ten strijde gaan?
3
Duizend werden neergeveld
Op het Japanse oorlogsveld.
Liefde, die zich steeds ontfermt
Heeft de officier beschermd.
’t Is alsof de dood hem spaart:
Moedig zit hij nog te paard,
Aan ’t hoofd van ene ruiterstoet
Strijdt ie met nieuwe moed.
4
En bij charge en het front
Werd den officier verwond:
Paard en ruiter stortten neer
Op het bloedig veld van eer.
Al die bloei van eer en roem
Vergank’lijk zijn ze als een bloem,
Maar hij deed zijn krijgsmansplicht
En dat maakt zo licht.
5
En bij held’re sterrennacht
Houden d’ engelen nog de wacht.
Zusters van het Rode Kruis
Komen aan met zacht gedruis,
Bidden voor hun heil en ziel
Toen daar hare minnaar viel.
Onder tranen brengen zij
Menig gewonde bij.
6
Engelengestalten zweefden rond
Op de met bloed doorweekte grond.
Ook bij hem knielt jong en teer
Ene liefdezuster neer.
Waarom ziet ze hem zo aan,
Waarom vloeit die droeve traan?
Bij het licht der maneschijn
Ziet hij z’n Rosalijn.
7
Zij ontvluchtt’ ’t ouderlijk huis
En nam dienst in ’t Rode Kruis.
Zij beminde om liefdeswil
’t Slagveld, nederig en stil.
In het liefdezusterskleed
Zag zij van ver het krijgsmansleed
En zo vond ze in stille smart
De lieveling van haar hart.
8
En terwijl ze hem verbindt
Die ze bovenal bemint
Ziet het paard zijn meester aan
Net of hij wil doen verstaan:
Als ware vrienden scheiden wij
Want het einde is nabij.
Ja, ’t lieve trouwe dier
Sterft naast de officier.
9
Door de zorg van Rosalijn
Mocht ze altijd bij hem zijn.
In ’t lustprieeltje aan de kant
Verzorgt ze hem met ted’re hand,
Schoon het weken duurt gewis
Voordat hij genezen is.
In reine liefde en geduld
Wordt hare wens vervuld.
10
O, hoe teder en hoe zacht
Is der eng’len blijde wacht!
Zusters van het Rode Kruis
Gij werpt rozen in hun kruis.
’t Is de liefde die beveelt
En de zwaarste wonden heelt
Liefde strooit haar rozen neer
Ook op het veld van eer.
Opname 9 oktober 1967
Gezongen door Sijke Louwenaar-de Vries te St. Jacobiparochie. Ze werd in 1895 in deze plaats geboren. De liederen die ze kende leerde ze thuis en op het land in haar omgeving. Zij werkte bij boeren. Dat gebeurde destijds in groepen van zo'n tien tot twaalf jongens en meisjes in de leeftijd van dertien tot twintig jaar. Er werd gezongen bij het aardappelrooien, vlastrekken, bieten rooien en bij het binden van tarwe en haver.
Uit: Marie van Dijk en A.J. Dekker, Onder de groene linde. Verhalende liederen uit de mondelinge overlevering. Deel 3. Liederen over trouw en ontrouw in de liefde, verleiding en verlating. Uitgeverij Uniepers, Abcoude 1991
zaterdag 23 april 2011
Abonneren op:
Posts (Atom)




