donderdag 23 juli 2015

Fryslân kan niet zonder Friese taal en geschiedenis

Bert Looper ('Friese toekomst en Fries verleden: een breekbare relatie’, Wykein, 11 juli) is op zoek naar een nieuwe Friese identiteit en meent dat taal en geschiedenis daarin een minder belangrijke rol zullen spelen dan vroeger. Het ‘Friese’ kan voortaan beter worden gezocht in ‘beleving’, ‘experience’. Met name nieuwkomers in de provincie zouden zich dan makkelijker thuis kunnen voelen in Fryslân. Pogingen om Friese identiteitsdiscussies te vangen in de taal van de regiomarketing lopen echter schipbreuk op valse aannames en zullen slechts leiden tot de productie van nog meer Friese kitsch. Wie iets nieuws over de Friese identiteit wil zeggen, zou eens kunnen kijken naar de Friese literatuur van de 19e-eeuw. Die heeft in veel gevallen een emancipatoir, egalitair, inclusief, sociaal-ethisch en antidogmatisch, non-conformistisch karakter. Zulke waarden werden in dezelfde periode (1840-1880) bovendien verbonden aan de ontwikkeling van de Friese taal. Als daar geen uitdaging voor Leeuwarden-Fryslân Culturele Hoofdstad 2018 ligt.

***********************

Is het denkbaar dat Fryslân de binding met z’n verleden verbreekt? ‘We moeten vooruit kijken, niet achterom!’

Ook al kun je zonder kennis van het verleden niets zeggen over de toekomst – toch hoor je zulke kretologie wel vaker. Heel postmodern (maar eigenlijk heel ouderwets) heet het dan dat er geen gemeenschappelijk beeld van het verleden meer is, geen betekenisvol verhaal. Vertaald naar de Friese situatie verschijnen in dat licht de domeinen taal en geschiedenis als bouwstenen van een ‘oude’ Friese identiteit, die niet meer goed bij de tegenwoordige tijd zou passen. Maar waar moet een ‘nieuwe’ Friese identiteit dan op berusten? Het antwoord op die vraag wordt tegenwoordig eerder in de regiomarketing dan in de cultuurfilosofie geformuleerd. Uit de aard der zaak richt die verkooptaal zich niet op de inwoners van Fryslân, maar op de nieuwkomers in de provincie: immigranten en, vooral, toeristen. Wat maakt dat die zich kunnen identificeren met Fryslân? De nieuwkomer heeft niet zo veel met de Friese taal, die immers de zijne niet is. En je moet toch ook prettig in Fryslân kunnen verblijven zonder dat je Fries verstaat? Kortom: exit taal als bouwsteen van een moderne Friese identiteit.

En de geschiedenis dan? Daar geldt eigenlijk hetzelfde voor. De cultuur zou zich in moderne tijden verplaatsen van het domein van taal en kennis naar dat van de ervaring, de beleving. Het Fries-zijn zou minder vaak worden gekoppeld aan de kennis van taal en geschiedenis, maar juist vaker aan de beleving van ‘typisch-Friese’ elementen, die voornamelijk in de sfeer van water, sport en landschap worden aangetrofffen. Ook de taal maakt als het ware een ‘verefteling’ door en schuift op van kennissysteem naar, eveneens, beleving. Grote kans daarom dat er een breuk zal optreden met de manier waarop we gewend zijn naar het verleden te kijken, is de gedachte. Het zou erop kunnen wijzen dat er een nieuwe identiteitsopbouw plaatsvindt, eentje die is gebaseerd op de ‘Friese experience’ en minder op wat we over Fryslân denken te weten.

Ik vraag me of de uitgangspunten van het hierboven kort aangestipte hippe marketingdenken over Fryslân en Friese identiteit wel deugen. Het lijkt me van niet. Zo is er nooit een echt gemeenschappelijk beeld van het verleden geweest, niet in Nederland, niet in Fryslân. Representaties die van het verleden worden gegeven, zeggen vaak meer over degene die ze ten tonele voert dan over het verleden zelf, dat kan ook het opstellen van een ‘Friese kanon’ niet verhelpen. Representaties van het verleden zijn het resultaat van groeps- en klassenbelangen, van politieke, ideologische dan wel religieuze zienswijzen en posities. Voorbeeld: uit mijn eigen onderzoek naar 19e-eeuwse Friese literatuur blijkt dat de in de 20e-eeuw zo versmade ‘volksschrijverij’ een interessante literatuur is, vol controversiële standpunten en perspectieven waarover nu nog steeds van mening kan worden verschild. Een gemeenschappelijk beeld van het verleden is een idée fixe; degene die het toch poneert heeft er kennelijk een of ander belang bij. Laten we dát onze nieuwkomers toch vooral goed duidelijk maken.

Ten tweede: betogen dat nieuwkomers in de provincie de Friese taal niet beheersen, en daarom slechts met moeite zouden kunnen ‘inburgeren’, raken natuurlijk niet aan het belang van de Friese taal voor de identiteitsbeleving van Friestalige Friezen die hier al wonen. Bovendien: is het niet overal ter wereld zo dat nieuwkomers worden geacht zich in enige mate aan te passen? Voor nieuwkomers uit de rest van Nederland die blijven struikelen over het Fries is niet de ‘oude’ Friese identiteit het belangrijkste struikelblok, maar waarschijnlijk eerder hun eigen, al te homogene Nederlandse identiteitsgevoel. Dat gebiedt hen te denken dat in Nederland iedereen altijd en overal Nederlands hoort te spreken.

Op de derde plaats moet worden geconstateerd dat het met name de provincie is, die in het voetspoor van de regiomarketing probeert om regionale cultuur te vermarkten met als doel de regionale economie te versterken. Maar dat provinciale cultuurbeleid moet niet worden verward met het signaleren van ontwikkelingen in Friese identiteitsvorming. Professor Goffe Jensma heeft vastgesteld dat het provinciale cultuurbeleid aan het einde van de 20e-eeuw een verandering heeft ondergaan. Cultuur als autonome waarde heeft in dat beleid plaats gemaakt voor cultuur als aanjager van de economie. In zijn artikel ‘Tussen kangoeroe en kieviet’ (It Beaken 70, 2008) schrijft Jensma:

'In nota’s als de Cultuurnota 2005-2008 (Sels dwaan!), de Nota recreatie en toerisme (2002-2010) (Verrassend Fryslân) of eerder en meer specifiek in de Notysje letterebelied uit 1989 en de daarop volgende Evaluatie letterenbeleid Provincie Friesland (1994) wordt cultuur niet langer uitsluitend consumptief aangemerkt, maar wordt juist de potentiële productiviteit positief gewaardeerd. Met andere woorden: met cultuur kan (lees: moet) geld worden verdiend.'

Daar hebben we dus de nieuwkomer te pakken. Het is de toerist, degene aan wie iets moet worden verdiend, die van de Friese cultuur komt genieten en in onze provincie zijn centen moet spenderen aan hotels, restaurants, musea en dagtripjes. Toeristen zijn de belangrijkste, nee, de enige doelgroep van het ‘Fryslân als experience’ denken.

Is het nu zo dat Friessprekende Friezen hun eigen taal en hun blik op de geschiedenis maar wat minder belangrijk moeten vinden, omdat de toerist anders wegblijft? Kunnen de domeinen van taal en geschiedenis en die van de ‘experience’ niet naast elkaar bestaan? In de praktijk doen ze dat toch al? Of betekent het, dat Fryslân zich slechts met zijn eigen taal en geschiedenis bezig moet houden voorzover die belangstelling zich makkelijk en toegankelijk laat verwerken in ‘experiences’? Moderne regiomarketing – hetzij door de provincie geïnitieerd, hetzij door Culturele Hoofdstad 2018 – wil afrekenen met een blijkbaar als contra-productief en als ballast ervaren Fries verleden, ongeveer zoals de dichter Fedde Schurer in 1946 met zijn ‘bining forbrutsen’ probeerde een einde te maken aan de dienstbaarheid van de Friese literatuur aan de Friese taal en denkbeelden over de Friese geschiedenis. Het zal ertoe meewerken dat het hedendaagse Fryslân zich meer en beter rekenschap geeft van z’n verhouding tot Europa. Dat is het populaire verkooppraatje.

Maar wat gesuggereerd wordt, is in feite een proces van identiteitsvernietiging. Niet de identiteit wordt immers genegeerd van de toerist die bootjevaart op de Wadden of in een Terschellingse duinpan van een duurzaam Fries biertje geniet, maar van de Fries die hier woont. Die wordt buiten het debat over de toekomst van Fryslân gesteld. Inderdaad doet CH2018 dat ook al. Dat evenement schijnt aan de opbouw van nieuwe en gemakkelijk toegankelijke identiteitskenmerken de voorkeur te geven boven het voortborduren op de ‘traditionele’ Friese identiteit, die immers buitenstaanders in de kou zou laten staan. Regiomarketing parkeert de Friese taal en geschiedenis in een doodlopend steegje, maar geeft ruim baan aan Friese kitsch die voor nieuwkomers en toeristen bedoeld is en tot overmaat van ramp ook nog tot de gewenste ‘experience’ kan worden gebombardeerd. Zonder ‘experience’ geen nieuwkomers met euro’s. De Friese cultuur – of cultuur in Fryslân, wat u maar wilt – is met zo’n ontwikkeling allerminst gediend. Het resultaat kan immers alleen maar zijn: nog meer cultuurcommercie en nog mínder cultuurproductie.

Dat de productie van Friese kitsch al lang een politiek-bestuurlijk speerpunt is, valt ook af te lezen aan de vernoeming van grote publieke werken in Fryslân. Zo zijn er een ‘Richard Hageman Aquaduct’ en een ‘Margaretha Zelle Aquaduct’ gekomen in de Haak om Leeuwarden, genoemd naar artistiekerige personen die geen andere verdienste voor Fryslân hebben gehad dan dat hun gebeente er ter aarde verscheen. Werk van Laurens Alma Tadema zal worden getoond in het Fries Museum in 2018 – ook van hem zijn geen nadere verdiensten voor Fryslân bekend. De Nederlandse nieuwkomer/toerist/belever kent hun namen, dat is alles.

Maar marketing mag toch niet de toon zetten in het nadenken over identiteit? Laat ik daarom ook eens een uitstapje maken naar het terrein van de literatuur. Wie in de Friese literatuur terecht wil voor vragen over Friese identiteit, stuit behalve op Fedde Schurer bijvoorbeeld ook op een interessant complex van 19e-eeuwse teksten dat door latere literatuurambtenaren badinerend is bestempeld tot ‘folksskriuwerij’, volksschrijverij. Identiteitsaspekten in het werk van Harmen Sytstra, Waling Dykstra, Tsjibbe Gearts van der Meulen en Hjerre Gerrits van der Veen hebben in veel gevallen een emancipatoir, egalitair, inclusief, sociaal-ethisch en antidogmatisch, non-conformistisch karakter. Zulke waarden werden in dezelfde periode (1840-1880) provinciebreed verbonden aan de ontwikkeling van de Friese taal, als schrijftaal in boeken en tijdschriften maar ook als mondelinge overdracht, plaatsgrijpend in café’s en op bovenzalen in vele tientallen dorpen. Daar ligt een interessante parallel met het heden. In plaats van de Friese taal en geschiedenis zoveel mogelijk te negeren, zou CH2018 er goed aan doen te reflecteren op bijvoorbeeld de mobiliserende kracht van het Winterjounenocht en de relatie tussen de zojuist genoemde waarden en een moderne Friese identiteit.

Wat ook uit de 19e-eeuwse literatuurgeschiedenis kan worden geleerd, is de uitsluiting van de Friese literatuur door de Nederlandse. Centralistische staatsopvattingen hebben er vooral na het verlies van België in 1831 toe geleid dat de band tussen de twee grotendeels werd doorgesneden, waardoor de Friese literatuur achterbleef en op zichzelf werd teruggeworpen, gedaald in waardering, gedaald vooral ook in zelfwaardering. Een dergelijk agressief centralisme dreigt anno 2015 opnieuw, maar nu is het louter van culturele aard. De Friese taal wordt gereduceerd tot een toeristisch belevingsproduct, dat wil zeggen, zij is weer terug bij af. Fries is weer synoniem met folklore. Wanneer zullen Provinciale Staten zich rekenschap geven van deze ontwikkeling? Het gaat in tegen letter en geest van alle nationale en Europese taalbeschermingswetten – wat tegelijkertijd de loosheid, het marginale karakter van het officiële meertaligheidsdiscours blootlegt.

Nu ‘2018’ de urbane toerist naar Fryslân moet lokken, en hem zal laten zien hoe internationaal en modern de nieuwe Friese identiteit is, zijn de steekwoorden op de kaart zetten, duurzaam, doe-het-zelf, natuurliefhebber, vredig en speels met water. Het nieuwe en evenzogoed nog arcadische beeld biedt slechts ruimte aan die cliché’s, die zich laten vermarkten en zich probleemloos laten inpassen in een universeel of Europees of gewoon Nederlands kader. Voor wie werkelijke ‘eigenheid’ zoekt, voor wie culturele diversiteit hoog in het vaandel heeft, hebben ze niets creatiefs toe te voegen, noch kunnen ze dienen als aanzetten tot een mentaliteitsverandering onder de Friese bevolking. Ze leiden wel tot bestendiging, via de afstemming van cultuurpolitiek op cultuurmarketing, van de bestaande sociale posities, machtsverhoudingen en dus ook taalonderdrukking.

Er zit dus een centralistisch en zelfs reactionair randje aan de huidige regiomarketing van Fryslân. Kijk bijvoorbeeld eens goed naar het aanwijzen van een onwenselijke tegenstelling tussen ‘Friese cultuur’ (oud, slecht) en ‘cultuur in Fryslân’ (nieuw, goed). Het bestaan van een Friestalig cultureel systeem wordt blijkbaar ondervonden, niet als een rijkdom, niet als een voorbeeld van de zo waardevolle Europese culturele verscheidenheid, maar als een pijnlijk dilemma, een patstelling waarin CH2018 de gewenste doorslag zal geven ten faveure van de ‘cultuur in Fryslân’. De cultuurmarketing in het tijdschrift De Moanne is daar al de aankondiging van. Ik zou liever een heel andere voorstelling van zaken geven. Het debat over Friese cultuur is in essentie een politiek debat, dat over cultuur in Fryslân slechts een commerciële show. De vraag is: op welk podium wil men spreken?

(Friesch Dagblad, Wykein, 18 juli 2015)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen