zondag 16 juli 2017

Piter Jelles Troelstra, 'Toost'

In Holwerd woonde ooit een man, 
Wiens naam zo onvergeten 
Van waarde blijft in ’t Friese land, 
Wie zou die naam niet weten? 

’t Was Bernlef, die voor duizend jaar 
Daar nog de snaren roerde, 
En zo’n fantastisch zanger was, 
Dat hij met toverlied vervoerde. 

Het jongvolk klonk zijn wonderzang 
Overheerlijk in de oren; 
Het meisjeshartje sloeg zo bang, 
Als hij in tonen, diep en lang, 
Van liefde en trouw liet horen. 

En was een meid vaak dwars en stijf, 
Dan moest de zanger komen; 
Die zong haar weer plezier in ’t lijf, 
Weg waren pijnen en ’t doorgedrijf, 
Het hartje in lieve dromen. 

En moest het krijgsvolk in de strijd 
Tegen Karels slavendrijven, 
Dan zong meneer het hoogste lied, 
En ’t ging door ’t land en ’t ruiste in ’t riet,
‘Vrij moeten Friezen blijven!’

Wel trokken velen een gezicht 
Bij Bernlefs doen en praten; 
’t Was een man van ’t nieuwe licht: 
Ze hadden ’m in de gaten! 

Hij haalde ook uit het speeltuig vaak 
Wel meer dan weke rijmen, 
Het donderde er soms zo raak, 
En menig’ gluiperige snaak 
Die dreigde te bezwijmen.

De domheid zat hij op de kop 
En duivels kon hij aan, 
Hij zocht ze, als ’t moest, 
In de bedstee op 
En dreef ze in het zoute sop. 
Daarop: ‘Smoor, zwarte Haan!’ 

Bernlef, die al eeuwen elders woont, 
Men kon hem niet vergeten. 
Nu zingt een ander in die toon, 
Een nieuwe zang, zo rond en schoon. 
Wie zou zijn naam niet weten? 
Daar zingt een Fries van ’t oude laag 
Weer voor de Friese meiden; 
Ze luist’ren naar zijn lied zo graag, 
Hij laat ze vlammend lijden. 

En laat hij over ’t noorderstrand 
Zijn vrijheidszangen drijven, 
Dan ruist het weer door ’t Friese land: 
‘Vrij moeten Friezen blijven!’ 

Hij is een man van ’t nieuwe licht: 
Het oude is hem te duister. 
Domheid is ’t die voor hem zwicht, 
Om waarheid heeft hij steeds gedicht, 
En raakte ’t spoor niet bijster. 

Hier zit de man, die Bernlefs zang 
Nog nazingt door de tijden; 
Een vijand van de geestesdwang, 
Een stoere held in ’t strijden. 

Kom, vrije Friezen, ga eens rond, 
Laat op die man ons drinken! 
De romers vol! Kom, Friezen kom, 
Op Waling Dykstra’s eer en roem 
Maar fleurig, fleurig klinken!


Ut: Samle Fersen, s. 217-219




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen